Centrale Raad van Beroep, 06-09-2000 / 97/10635 AAW/WAO + 99/6490 WAO


ECLIECLI:NL:CRVB:2000:AA8466
Datum06-09-2000
InhoudsindicatieGenoegzaam aangetoond verband tussen door gedaagde doorgemaakte ziekte en vermoeidheidsklachten; vergelijking met het Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS). Blijkens brieven van gedaagdes behandelend artsen wordende vermoeidheidsklachten van gedaagde, welke steeds op consistente wijze zijn gepresenteerd, door die artsen als alleszins reŽel beschouwd. Voorts komt uit de rapporten van de ingeschakelde deskundigen een zelfde beeld naar voren. Deze artsen zijn overtuigd van het realiteitsgehalte van gedaagdes klachten en twijfelen er niet aan dat die klachten het gevolg zijn van gedaagdes ziekte en/of behandeling. Verder kan uit de brieven en rapporten van bedoelde artsen worden afgeleid dat binnen kringen van medici op zich in den brede wordt erkend dat na chemotherapie en/of bestraling zich - extreme - vermoeidheidsklachten kunnen voordoen, ook op langere termijn. De Raad begrijpt uit de voorliggende informatie dat deze klachten weliswaar niet bij alle patiŽnten worden aangetroffen, en dat voorts de mate en duur daarvan ook per patiŽnt kunnen verschillen, maar dat klachten van een duur en intensiteit zoals waarmee gedaagde heeft te kampen niet uniek zijn en vaker worden aangetroffen. Tevens leidt de Raad uit de beschikbare medische informatie af dat, in gevallen waar dit laatste aan de orde is, evenmin omstreden is dat dergelijke vermoeidheidsklachten en in een bepaald causaal verband staan met de doorgemaakte ziekte en/of de daarvoor ondergane therapie. Situaties waarin het zogeheten Chronisch Vermoeidheids Syndroom (CVS) aan de orde is kunnen niet zonder meer op ťťn lijn worden gesteld met een situatie als in casu aan de orde, welke laatste situatie zich op een wezenlijk punt van eerstgenoemde onderscheidt, nu in het onderhavige geval sprake is van een duidelijk aanwijsbare medische voorgeschiedenis, bestaande uit het doorgemaakt hebben van een ernstige ziekte en het daarvoor ondergaan hebben van een intensieve en ingrijpende behandeling. De Raad komt tot de slotsom dat in het geval van gedaagde op toereikende wijze objectief is komen vast te staan dat hij op de hier in geding zijnde data als gevolg van zijn ziekte en de in verband daarmee door hem ondergane behandeling te kampen had met chronische vermoeidheid en daarvan nog in zodanige mate beperkingen ondervond dat hij buiten staat moet worden geacht tot het verrichten van arbeid in een grotere omvang dan 16 ŗ 20 uur per week. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant. mrs. H. van Leeuwen, T. Hoogenboom, J.W. Schuttel
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2008:BC8545 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BK9685
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2018:2220
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:3388
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1179
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BM2762
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BL6062
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BL0366
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2008:BG3966
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2007:BB1888
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8261
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4138