Centrale Raad van Beroep, 10-07-2009 / 06-4474TW+06-4475TW+06-4476TW+06-4477TW+06-4478TW


ECLIECLI:NL:CRVB:2009:BJ3262
Datum10-07-2009
InhoudsindicatieHerziening intrekking en terugvordering toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Ingevolge artikel 11a van de TW is het Uwv verplicht de toeslag in te trekken of te herzien onder andere indien de toeslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van intrekking of herziening af te zien.Vast staat dat [ex-echtgenoot] in de in geding zijnde periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, hetgeen er toe geleid heeft dat aan appellante aanvankelijk tot een te hoog bedrag en per 7 april 1997 ten onrechte toeslag is verleend. Aan het bepaalde in artikel 11a is dan ook voldaan, zodat het Uwv verplicht was de uitkering te herzien c.q. in te trekken. De Raad volgt niet het standpunt van appellante dat [ex-echtgenoot] vanaf 1999 niet meer bij haar woonde. De ex-echtgenoot stond gedurende de gehele in geding zijnde periode ngeschreven. Ten aanzien van de terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering bepaalt artikel 20, eerste lid, van de TW dat het Uwv verplicht is hetgeen onverschuldigd aan uitkering is betaald terug te vorderen. Het vierde lid van artikel 20 van de TW geeft het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, de bevoegdheid geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De stelling van appellante dat zij dubbel gestraft wordt omdat enkel van haar en niet van [ex-echtgenoot] wordt teruggevorderd slaagt niet. De Raad voegt daaraan toe dat het Uwv bij de terugvordering van een op grond van de TW verleende toeslag de bijzondere bepalingen van de TW moet toepassen en niet de algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor wat betreft de verjaringstermijn van terugvorderingen van onverschuldigd betaalde toeslag sluit de Raad aan bij de in het BW neergelegde verjaringstermijnen voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Inzake hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de aanwezigheid van dringende redenen om van terugvordering af te zien overweegt de Raad dat appellante weliswaar door de terugvordering in een moeilijke situatie is beland maar deze situatie is niet zodanig dat sprake is van onaanvaardbare consequenties.
TijdschriftartikelCentrale Raad van Beroep, 10-07-2009, 06/4474 TW + 06/4475 TW + 06/4476 TW + 06/4477 TW + 06/4478 TW
RSV 2009/280
Verjaringstermijn terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag.
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7327 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2017:4010
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:2810
Gerelateerd ECLI:NL:RBMNE:2014:4239
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2014:86
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2012:BX3448