Centrale Raad van Beroep, 17-02-2015 / 14-3878 WWB


ECLIECLI:NL:CRVB:2015:422
Datum17-02-2015
InhoudsindicatieMaatregel: verlaging bijstand met 100% geudrende één maand. De Raad stelt voorop dat voor een bijstandsgerechtigde uit de verordening zelf duidelijk moet blijken welke gevolgen door het college aan zijn gedraging kunnen worden verbonden. De toelichting is niet de plaats waar de criteria moeten worden opgenomen. Deze is hooguit bedoeld om de in de verordening opgenomen criteria te verduidelijken. In artikel 6 van de Verordening 2013 ontbreken de criteria om het onderscheid te maken tussen een lichte en een gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een dergelijke verplichting. Dit voert tot de conclusie dat de gemeenteraad met artikel 6 van de Verordening 2013 geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende verordenende bevoegdheid. Het standpunt van appellant dat deze criteria in de toelichting op de Verordening 2013 voldoende zijn omschreven, leidt dan ook niet tot een andere conclusie, nog daargelaten dat ook de toelichting, hoewel uitgebreider dan de toelichting bij de Tweede wijziging van Verordening 2009, nog steeds onvoldoende onderscheid aanbrengt tussen de lichte en gewone verplichting en tussen het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting. Nu de Verordening 2013 derhalve onvoldoende criteria bevat om de hoogte en de duur van de verlaging van de algemene bijstand te kunnen vaststellen, betekent dit dat artikel 6 van de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende kracht mist.
TijdschriftartikelCentrale Raad van Beroep 17-02-2015 (met noot)
Redactie
USZ 2015/101
Maatregel, Beëindiging traject, Criteria hoogte en duur maatregel, Ontbreken verbindende kracht.
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2014:608 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2016:3968
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:2236
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2016:4853