Centrale Raad van Beroep, 10-12-2015 / 14/7138 AW


ECLIECLI:NL:CRVB:2015:4470
Datum10-12-2015
InhoudsindicatieAnders dan de Rvdr is het oordeel van de rechtbank, dat niet is komen vast te staan dat appellant zich in het gesprek met zijn leidinggevende op 31 oktober 2013 heeft bediend van schuttingtaal, juist. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat appellant zich na 29 oktober 2013 niet heeft beperkt tot de door de leidinggevende aan hem nadrukkelijk opgedragen werkzaamheden en dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert dat appellant kan worden toegerekend. Het geen gehoor geven aan de opdrachten om zijn werkzaamheden te hervatten, levert plichtsverzuim op dat appellant kan worden toegerekend. Vaste rechtspraak. Betekenis eigenmachtig in relatie tot adviezen van de bedrijfsarts. Het onvoorwaardelijk ontslag is onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtverzuim dat is komen vast te staan. De Rvdr heeft eraan bijgedragen dat de situatie in korte tijd uit de hand is gelopen. Een subsidiaire grondslag mag in bezwaar aan het ontslag worden toegevoegd. Ten tijde van de ontslagverlening was sprake van een verstoring van de arbeidsrelatie en bestond bevoegdheid voor ontslag op andere gronden. Een minimumgarantie op een ontslaguitkering als bedoeld in artikel 99, tweede lid, van het ARAR, is hier voldoende nu beide partijen de situatie zodanig hebben laten escaleren dat een vruchtbare samenwerking niet meer mogelijk was. Bovenwettelijke uitkering en vergoeding van vertragingsschade in de vorm van wettelijke rente.
TijdschriftartikelCentrale Raad van Beroep 10-12-2015
TAR 2016/30
Disciplinair ontslag en subdidiair ontslag op andere gronden
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2043 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:484
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2017:1006