Gerechtshof Amsterdam, 19-06-2014 / 07/01040


ECLIECLI:NL:GHAMS:2014:3608
Datum19-06-2014
InhoudsindicatieDe redelijke termijn voor de behandeling in de eerste fase (bezwaar en het uiteindelijke beroep bij de rechtbank) is met ruim 11 maanden overschreden. Op grond hiervan dient een schadevergoeding van 2 x 500 = 1.000 te worden toegekend. In de tweede fase (hoger beroep) is de redelijke behandelingstermijn met 15 maanden overschreden. Op grond daarvan dient een aanvullende schadevergoeding van 3 x 500 = 1.500 te worden toegekend. Van de totale vergoeding van 2.500 rekent het Hof 500 toe aan de inspecteur en 2.000 aan de Minister. Voor matiging van de aldus berekende vergoedingen ziet het Hof geen grond. Het tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de behandeling van het onderhavige verzoek niet kan leiden tot een hogere vergoeding, hoezeer het Hof erkent en betreurt dat die behandeling onnodig lang heeft geduurd. Met de uitspraak in de hoofdzaak is een einde gekomen aan de spanning en frustratie waarvoor de vergoeding een (geforfaiteerde) compensatie vormt. Het immateriŽle karakter van de (destijds) geleden schade staat eraan in de weg dat dan nog wegens verder tijdsverloop een bedrag boven het forfait wordt toegekend. Nu voorts geen sprake is van een situatie waarin belanghebbende als gevolg van het schadeveroorzakend handelen enig geldbedrag heeft betaald of gemist, wijst het Hof ook het verzoek om toekenning van wettelijke rente vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek, althans vanaf het tijdstip van de uitspraak in de hoofdzaak, af.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AO9006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO5046 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BN6324 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO5087 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BX6666 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2012:BX5668 ★★★★★