Gerechtshof Arnhem, 14-07-2010 / 24-002855-08


ECLIECLI:NL:GHARN:2010:BN1657
Datum14-07-2010
InhoudsindicatieVerdachte wordt wegens het aanwezig hebben van hennepplanten veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur. - Voldoende verdenking om op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet met machtiging dan wel toestemming van de bewoner de woning te betreden. Feiten en omstandigheden op basis waarvan redelijkwijze vermoed kon worden dat in de woning een strafbaar feit uit de Opiumwet werd gepleegd: a) binnen zeer korte periode zijn twee anonieme meldingen binnen gekomen over een hennepplantage in de woning van medeverdachte; b) de meldingen zijn voldoende gedetailleerd en concreet; c) uit het bedrijfsprocessensysteem van de politie is naar voren gekomen dat medeverdachte eerder te maken heeft gehad met een hennepplantage. - Spontane uitnodiging van medeverdachte aan verbalisanten om binnen te komen kan niet worden opgevat als toestemming in de zin van artikel 7 van de AWBI nu de reden van de komst - in strijd met artikel 1 AWBI - niet voorafgaande aan het feitelijk betreden van de woning aan medeverdachte is kenbaar gemaakt. Sprake van onherstelbaar vormverzuim. Verdachte en medeverdachte zijn niet in hun belangen geschaad, nu de opsporingsambtenaren beschikten over een machtiging tot binnentreden. - Verklaring van verdachte die zij tegenover de politie heeft afgelegd wordt (o.g.v. Salduz jurisprudentie) uitgesloten van het bewijs nu verdachte niet in de gelegenheid is geweest voorafgaande aan het verhoor een advocaat te consulteren.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHLEE:2010:BO8952