Hoge Raad, 23-12-2008 / 00492/07


ECLIECLI:NL:HR:2008:BF3197
Datum23-12-2008
InhoudsindicatieOM-cassatie. Ontvankelijkheid OM. 1. s Hofs oordeel dat het OM n-o moet worden verklaard in de vervolging van verdachte aangezien met de tul van het in 1e aanleg gewezen vonnis een aanvang is gemaakt, terwijl het niet in kracht van gewijsde was gegaan, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De enkele omstandigheid dat een vonnis in 1e aanleg gewezen, t.t.v. de uitspraak in h.b. reeds geheel of gedeeltelijk is geŽxecuteerd, brengt - ook wanneer deze executie in strijd met art. 557 Sv heeft plaatsgehad - niet mee dat het OM n-o dient te worden verklaard in de vervolging (vgl. HR LJN AZ1705). 2. Het Hof heeft in een overweging ten overvloede als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM eveneens een grond vormt voor de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging. Overschrijding van de redelijke termijn leidt echter niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging (vgl. HR LJN BD2578).
TijdschriftartikelHoge Raad, 23-12-2008, 00492/07
RvdW 2009, 166
Voortijdige executie niet onherroepelijke uitspraak betekent niet dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in vervolging van die zaak.
TijdschriftartikelHoge Raad, 23-12-2008, 00492/07
NJB 2009, 203
Het gerechtshof had het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging omdat, kort samengevat met de executie van het vonnis van de rechtbank een aanvang was gemaakt terwijl dat vonnis nog niet in kracht van gewijsde was gegaan.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2006:AZ1705 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3197 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BF3197 ★★