Hoge Raad, 09-12-2014 / 13/03918


ECLIECLI:NL:HR:2014:3550
Datum09-12-2014
Inhoudsindicatie1. Onrechtmatige aanhouding. Art. 54.3 Sv. 2. Salduz-verweer. Recht op consultatiebijstand. Ad 1. Ex art. 54.3 Sv komt de bevoegdheid tot aanhouding van de verdachte buiten het geval van ontdekking op heterdaad, zonder een daartoe strekkend bevel a.b.i. art. 54.1 Sv, toe aan elke opsporingsambtenaar indien het optreden van de OvJ of een van diens hulp-OvJ niet kan worden afgewacht. Art. 128 Sv bepaalt dat ontdekking op heterdaad plaats heeft, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is en voorts dat het geval van ontdekking op heterdaad niet langer aanwezig wordt geacht dan kort na het feit der ontdekking. Gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, heeft het Hof zijn oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig is geweest niet behoorlijk gemotiveerd. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het gevoerde verweer blijkens de pleitnota slechts inhoudt dat sprake is van een vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, terwijl over het belang van het geschonden voorschrift dat niet tot aanhouding mag worden overgegaan zonder een daartoe door de (hulp)OvJ gegeven bevel, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer wordt aangevoerd dan dat bij naleving van bedoeld voorschrift geen klopjacht had plaatsgevonden en verdachte niet van zijn vrijheid beroofd zou zijn geweest. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079. Of in een bepaald geval aan een aangehouden verdachte binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid is geboden van zijn recht op raadpleging van een advocaat gebruik te maken, hangt af van de omstandigheden van het geval. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof zijn oordeel dat daaraan is voldaan gebaseerd op de omstandigheid dat de in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor genoemde termijn van twee uren in acht is genomen en dat het gaat om een zaak van relatief geringe ernst waarvoor de vrijheidsbeneming zo kort mogelijk dient te zijn. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk en behoeft, in aanmerking genomen hetgeen namens verdachte in dit verband is aangevoerd, geen nadere motivering.
TijdschriftartikelHoge Raad 09-12-2014
NJB 2015/13
Salduz-recht om een raadsman te raadplegen: of in een bepaald geval aan een aangehouden verdachte ‘binnen de grenzen van het redelijke’ de gelegenheid is geboden van zijn recht op raadpleging van een advocaat gebruik te maken, hangt af van de omstandigheden van het geval. In casu kon hof aannemen dat daarvan sprake was gelet op de omstandigheid dat de in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (Stcrt. 2010, 4003) genoemde termijn van twee uren in acht is genomen en dat het gaat om een zaak van relatief geringe ernst waarvoor de vrijheidsbeneming zo kort mogelijk dient te zijn. Onrechtmatige aanhouding, art. 54 Sv: dat leidt in casu evenwel niet tot cassatie nu het gevoerde verweer tot toepassing van art. 359a Sv onvoldoende is onderbouwd.
TijdschriftartikelHoge Raad 09-12-2014 (met noot)
J.S. Spijkerman
NBSTRAF 2015/10
Vormverzuim, Onrechtmatige aanhouding, Consultatiebijstand advocaat, Salduz.
TijdschriftartikelHoge Raad 09-12-2014
RvdW 2015/71
1. Gelet op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, heeft het hof zijn oordeel dat de aanhouding van de verdachte rechtmatig is geweest, niet behoorlijk gemotiveerd. Dat behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, nu het gevoerde verweer blijkens de pleitnota slechts inhoudt dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en dat zulks tot bewijsuitsluiting moet leiden, terwijl over het belang van het geschonden voorschrift dat niet tot aanhouding mag worden overgegaan zonder een daartoe door de (hulp)officier van justitie gegeven bevel, de ernst van het verzuim en het daardoor veroorzaakte nadeel niet meer wordt aangevoerd dan dat bij naleving van bedoeld voorschrift ‘geen klopjacht had plaatsgevonden’ en de verdachte niet van zijn vrijheid beroofd zou zijn geweest. (Vgl. HR 19 februari 2013, NJ 2013/308).
2. Of in een bepaald geval aan een aangehouden verdachte ‘binnen de grenzen van het redelijke’ de gelegenheid is geboden van zijn recht op raadpleging van een advocaat gebruik te maken, hangt af van de omstandigheden van het geval. Blijkens zijn overwegingen heeft het hof zijn oordeel dat daaraan is voldaan, gebaseerd op de omstandigheid dat de in de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (Stcrt. 2010, 4003) genoemde termijn van twee uren in acht is genomen en dat het gaat om een zaak van relatief geringe ernst waarvoor de vrijheidsbeneming zo kort mogelijk dient te zijn. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en behoeft, in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte in dit verband is aangevoerd, geen nadere motivering.
TijdschriftartikelHoge Raad 09-12-2014 (met noot)
B.F. Keulen
NJ 2015/356
Oordeel dat aanhouding van verdachte rechtmatig is geweest niet behoorlijk gemotiveerd; desondanks geen cassatie.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY5321 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ4352 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2014:2265
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1356 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:1286
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:128
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:126
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1590
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1540
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:116
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:1131
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2015:177
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2014:2265