Hoge Raad, 14-04-2017 / 15/02197


ECLIECLI:NL:HR:2017:673
Datum14-04-2017
InhoudsindicatieInkomstenbelasting. Art. 6, 48 en 49 Wet IB 1964; art. 7 en 13 Verdrag Nederland-BelgiŽ 1970; art. 16, lid 4, en 47 AWR; art. 6, lid 2, EVRM. Betrokkenheid bij via een groot aantal lichamen verrichte transacties betreffende Nederlandse bedrijven vormt voor belanghebbende een onderneming. Samenloop met strafzaak. Schending onschuldpresumptie doet niet af aan de feitelijke vaststellingen en de daaraan door het Hof verbonden fiscale gevolgen. Een (mogelijk) pleitbaar standpunt van de belanghebbende dat hij niet belastingplichtig is, ontslaat hem niet van zijn verplichting te voldoen aan een inlichtingenverzoek aangaande zijn (eventuele) belastingplicht. In Nederland woonachtige of gevestigde zakenpartner kan vaste vertegenwoordiger zijn. Omvang van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.
TijdschriftartikelHoge Raad 14-04-2017 (met noot)
A.C. Breuer
FED 2017/113
Beroep op de onschuldspresumptie faalt. Verplichting te voldoen aan een inlichtingenverzoek aangaande (eventuele) belastingplicht. In Nederland woonachtige of gevestigde zakenpartner kan vaste vertegenwoordiger zijn. Omvang van de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst
TijdschriftartikelHoge Raad 14-04-2017 (met noot)
S.C.W. Douma
BNB 2017/221
Ondernemerschap. Samenloop met strafzaak. Schending onschuldpresumptie i.c. zonder gevolgen. Pleitbaar standpunt en informatieplicht. Vaste vertegenwoordiger. Aan vaste inrichting toe te rekenen winst
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:784
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2016:784
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1253
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2019:1440