Hoge Raad, 06-11-2018 / 17/00795


ECLIECLI:NL:HR:2018:2056
Datum06-11-2018
InhoudsindicatieSalduz. Schending consultatierecht, verhoorsituatie. Ontstaat verplichting om verdachte te wijzen op recht op raadpleging advocaat alleen als vaststaat dat strafbaar feit is gepleegd? Art. 359a Sv. (Medeplegen) telen hennep (meermalen gepleegd) in woning medeverdachte en eigen woning, art. 3.B Opiumwet. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BH3079 en ECLI:NL:HR:2015:3608 m.b.t. het recht op consultatiebijstand en de gevolgen van schending van dit recht. HR tekent hierbij aan dat dit recht op consultatiebijstand sinds 1 maart 2017 is geregeld in art. 28c jo. 28e Sv, terwijl de plicht verdachte daaromtrent te informeren voortvloeit uit art. 27c.3 Sv. Indien door de politie aan een aangehouden verdachte gestelde vragen betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor, zodat hij op dat moment dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Het in art. 27.1 Sv bedoelde redelijk vermoeden van schuld betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Derhalve kan, ook indien (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en dientengevolge van een verhoorsituatie. Hof heeft geoordeeld dat verdachte niet behoefde te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat op het moment dat hem door de opsporingsambtenaar werd gevraagd of hij een hennepkwekerij in zijn woning had, aangezien de hennepkwekerij op dat moment nog niet was ontdekt en de gestelde vraag daarom kennelijk geen betrekking had op een reeds geconstateerd strafbaar feit. V.zv. dit oordeel berust op de opvatting dat het bedoelde recht op raadpleging van een advocaat uitsluitend toekomt aan verdachte indien hem vragen worden gesteld t.a.v. zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit en vaststaat dat dit feit heeft plaatsgevonden, getuigt het van een onjuiste rechtsopvatting. V.zv. Hof niet van die opvatting is uitgegaan, is het oordeel niet z.m. begrijpelijk, aangezien de vraag aan verdachte of hij een hennepkwekerij in zijn woning had, bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een vraag betreffende diens betrokkenheid bij een strafbaar feit (aanwezig hebben of telen hennep) ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt. Terechte klacht leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie, nu de bewezenverklaring gelet op gebezigde b.m. ook met weglating van de bevindingen betreffende hetgeen heeft plaatsgevonden nadat verdachte is gevraagd of hij een hennepkwekerij in zijn woning had, toereikend is gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 17/00796 P.
TijdschriftartikelHoge Raad 06-11-2018 (met noot)
C. van Oort
JIN 2018/214
Schending consultatierecht, Verhoorsituatie.
TijdschriftartikelHoge Raad 06-11-2018
NJB 2018/2111
Ontstaat verplichting om verdachte te wijzen op recht op raadpleging advocaat alleen als vaststaat dat strafbaar feit is gepleegd?
TijdschriftartikelHoge Raad 06-11-2018
NBSTRAF 2018/386
Consultatiebijstand advocaat, Verhoor.
TijdschriftartikelHoge Raad 06-11-2018
RvdW 2018/1231
Salduz. Schending consultatierecht, verhoorsituatie.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:3608 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:1012
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:341 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2019:175