Hoge Raad, 01-10-2019 / 19/00827


ECLIECLI:NL:HR:2019:1472
Datum01-10-2019
InhoudsindicatieCassatie in belang der wet. Beschikking Rb inhoudende toewijzing verzoek ex art. 36 Sv tot verklaring dat zaak geŽindigd is. 1. Op welk moment neemt vervolging a.b.i. art. 36 Sv aanvang? 2. Kan verklaring ex art. 36 Sv dat zaak is geŽindigd worden gegeven wanneer onderzoek ttz. aanvang heeft genomen? 3. Kan overschrijding van redelijke termijn ex art. 6.1 EVRM grond bieden voor geven van verklaring dat zaak is geŽindigd? Ad 1. In art. 36 Sv bedoeld verzoek kan worden gedaan ingeval van vervolging van zaak. Naar hedendaagse rechtsopvatting vangt vervolging ex art. 36.1 Sv aan op moment dat vanwege Nederlandse Staat jegens betrokkene handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid verwachting kan ontlenen dat tegen hem t.z.v. bepaald strafbaar feit door OM strafvervolging zal worden ingesteld. Vanaf dat moment kan verdachte immers belang hebben bij inroepen van oordeel van rechter omtrent geŽindigd zijn van zaak. Ad 2. In systematiek van Sv ligt besloten dat, nadat onderzoek ttz. is aangevangen, procedure wordt voortgezet totdat einduitspraak is gegeven door zittingsrechter. Daarmee verhoudt zich niet dat verklaring dat zaak is geŽindigd, wordt verzocht en gegeven op moment dat onderzoek ttz. aanvang heeft genomen en door zittingsrechter nog niet onherroepelijk einduitspraak is gedaan. In die situatie dient verdachte in verzoek a.b.i. art. 36 Sv n-o te worden verklaard. Onder omstandigheden kan verdachte wel worden ontvangen in verzoek nadat einduitspraak onherroepelijk is geworden, o.m. indien bij einduitspraak onbevoegdheid van rechter of nietigheid van dagvaarding is uitgesproken. In het geval dat onderzoek ttz. is aangevangen en vervolgens voor onbepaalde tijd wordt geschorst, terwijl OM, nadat oorzaak van schorsing is vervallen, nalaat onderzoek ttz. te doen hervatten door opnieuw aanbrengen van zaak op nadere tz., vormt dat nalaten geen grond waarop verklaring kan worden gegeven dat zaak is geŽindigd. Geen rechtsregel staat er echter aan in de weg dat verdachte zich in dat geval wendt tot voorzitter van gerecht waar zaak dient, met verzoek dag van nadere tz. te bepalen. Ad 3. Overschrijding van redelijke termijn kan aanleiding geven tot strafvermindering, maar leidt niet tot n-o verklaring van OM in strafvervolging (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Dat staat tevens eraan in de weg dat rechter verklaart dat zaak is geŽindigd op grond dat recht op berechting binnen redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is geschonden. Dat is niet anders indien aan verzoek ex art. 36 Sv (mede) ten grondslag is gelegd dat overschrijding van redelijke termijn tevens inbreuk op andere verdedigingsrechten tot gevolg heeft, bijvoorbeeld waar het mogelijkheid betreft van bieden van behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging. Het is aan zittingsrechter en niet aan rechter die oordeelt over verzoek ex art. 36 Sv, te bepalen of van zon inbreuk sprake is en zo ja, of dat in concrete omstandigheden van geval ook betekent dat zich schending van art. 6 EVRM voordoet waaraan bij berechting van zaak gevolgen dienen te worden verbonden (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2059). Grond voor geven van verklaring dat zaak is geŽindigd kan rechter o.m. wel vinden in omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteiten worden verricht in strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat OM tegen verdachte strafvervolging zal instellen of voortzetten. In overwegingen Rb ligt als haar oordeel besloten dat verklaring dat zaak is geŽindigd kan worden gegeven nadat onderzoek ttz. is aangevangen en nog niet door zittingsrechter onherroepelijk einduitspraak is gedaan. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Rb had betrokkene n-o behoren te verklaren. Rb heeft voorts verzoek toegewezen op enkele grond dat betrokkene t.g.v. handelen van OM een onredelijk lange termijn in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afdoening van zijn zaak. Rb heeft in zoverre onjuiste maatstaf voor beoordeling van dat verzoek aangelegd. Volgt vernietiging in belang van de wet.
Recht.nl artikelVerzoek artikel 36 Sv niet-ontvankelijk nu onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen (04-10-2019)
Verzoeker werd aangehouden wegens een verkeersdelict. De zaak werd aangebracht bij de politierechter en vervolgens op verzoek van de OvJ voor onbepaalde tijd aangehouden. Verzoeken van de verdachte naar de voortgang van de zaak liet de OvJ onbeantwoord. Nadat de verdachte de rechtbank op grond van artikel 36 Sv verzocht te verklaren dat de zaak was geŽindigd, besloot de OvJ de zaak voort te zetten. De rechtbank wees het verzoek van de verdachte evenwel toe, wegens de onredelijk lange termijn waarin verdachte in onzekerheid heeft verkeerd omtrent de afdoening van de zaak.
Volgens de Hoge Raad is dit onjuist, omdat een dergelijk verzoek slechts kan worden gedaan voordat het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, of juist nadat de einduitspraak onherroepelijk is geworden. Overschrijding van de redelijke termijn kan overigens wel leiden tot strafvermindering. De rechtbank had verzoeker daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
> Cassatie in het belang der wet: verzoek artikel 36 Sv niet-ontvankelijk nu onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen (Houthoff.com)
> Na schorsing OTTZ voor onbepaalde tijd is verzoek ex art. 36 Sv niet meer mogelijk, alleen een verzoek aan de voorzitter voor een dagbepaling (Bijzonderstrafrecht.nl)
TijdschriftartikelHoge Raad 01-10-2019
NJB 2019/2187
Aanvang vervolging en verklaring gerecht op verzoek van de verdachte of op voordracht van de rechter-commissaris dat de zaak geŽindigd is indien de vervolging niet wordt voortgezet, art. 36 Sv: - Het in deze bepaling bedoelde verzoek kan worden gedaan ingeval van Ďvervolgingí van een zaak.
TijdschriftartikelHoge Raad 01-10-2019
SR 2019/325
Cassatie in belang der wet over beŽindiging van een zaak.
TijdschriftartikelHoge Raad 01-10-2019
RvdW 2019/1066
Cassatie in het belang der wet. Verklaring dat de zaak geŽindigd is kan niet als het onderzoek ter zitting al is aangevangen; overschrijding van de redelijke termijn is geen grond voor een dergelijke verklaring.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2016:2059 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2019:575
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2018:1986
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2019:8599