Parket bij de Hoge Raad, 21-12-2010 / 08/02072


ECLIECLI:NL:PHR:2010:BN8840
Datum21-12-2010
Inhoudsindicatie1. Gemeen gevaar voor goederen als bedoeld in art. 157 Sr. 2. Redelijke termijn in feitelijke aanleg. Ad 1. In art. 157 Sr is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Om in rechte het gemeen gevaar voor goederen als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat gemeen gevaar voor goederen inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gemeen gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich ten tijde van de brandstichting geen goederen in de nabijheid bevonden (vgl. HR LJN BG1653 m.b.t. levensgevaar). Voor zover het middel klaagt over s Hofs oordeel dat door de brandstichting in de woning van verdachte wel degelijk gemeen gevaar als bedoeld in art. 157 Sr is ontstaan voor goederen buiten het pand, faalt het, nu dit oordeel, gelet op hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de afstand van de woning tot nabijgelegen woningen en goederen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onjuist noch onbegrijpelijk is. Ook voor zover het middel klaagt over de overweging van het Hof dat de bevindingen van de getuige-deskundige niet aan een bewezenverklaring van gemeen gevaar voor goederen in de weg staan, faalt het. Het Hof heeft overwogen dat de bevindingen van de getuige-deskundige niet afdoen aan het oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was, nu de getuige-deskundige nauw heeft gelet op het gevaar dat deze brand en het verloop daarvan opleverde en uiteindelijk bleek te hebben opgeleverd. Hiermee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat en waarom het dit onderdeel van de bevindingen van de getuige-deskundige niet van belang heeft geacht voor de bewezenverklaring van het bestanddeel gemeen gevaar voor goederen. Daarbij gaat het immers om de voorzienbaarheid van het gevaar ten tijde van de brandstichting, terwijl deze getuige-deskundige slechts heeft gelet op het gevaar dat deze brand zelf en het verloop daarvan opleverde en hij derhalve zijn deskundig oordeel niet heeft gegeven over het gevaar dat ten tijde van de brandstichting bestond. Het middel dat uitgaat van een andere lezing van de bestreden uitspraak mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag. Ad 2. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN BD2578. Het Hof heeft geoordeeld dat in geen van beide feitelijke instanties sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6.1 EVRM. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk. Immers, naar in s Hofs overwegingen ligt besloten, berust dat oordeel op de bijzondere omstandigheid dat de zaak, waarin vele op waarheidsvinding gerichte onderzoekshandelingen moesten worden verricht, van een zodanige ingewikkeldheid was dat deze het tijdsverloop vanaf de aanhouding van de verdachte tot aan s Hofs uitspraak ten volle kon rechtvaardigen.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BG1653 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BN8840 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2009:BG7751 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2008:BD5785 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BN8840 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2008:BD5785 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBGEL:2017:949
Gerelateerd ECLI:NL:RBMAA:2011:BR0736
Gerelateerd ECLI:NL:RBMAA:2011:BR0734