Parket bij de Hoge Raad, 07-06-2011 / 10/00432


ECLIECLI:NL:PHR:2011:BP2740
Datum07-06-2011
Inhoudsindicatie1. Art. 293.1 Sv; beletten dat door een getuige aan een hem gestelde vraag gevolg wordt gegeven. 2. Derdenwerking van de Salduz-rechtspraak? Ad 1. Het middel steunt op de opvatting dat door de rechter op de voet van art. 293.1 Sv is belet dat door een getuige aan een hem gestelde vraag gevolg wordt gegeven. Ingevolge art. 290.2 Sv dient een getuige de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen, terwijl ingevolge art. 291 Sv de getuige bij zijn verklaring zo veel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft wat hij heeft waargenomen en wat zijn redenen van wetenschap zijn. I.c. is belet dat de getuige gevolg zou geven aan de vraag van de verdediging zijn litteken te laten zien. Die vraag strekte niet tot het doen van een verklaring in de hiervoor bedoelde zin, maar had ten doel de getuige een bepaalde handeling te laten verrichten. Art. 293.1 Sv is daarop niet van toepassing. Ad 2. De Hoge Raad verwijst naar toepasselijke overwegingen uit HR LJN BH3079. De in dat arrest geformuleerde regel, die strekt tot bescherming van het in art. 6.1 EVRM besloten liggende recht van verdachte op een eerlijk proces en in het bijzonder tot bescherming van diens recht om niet aan zijn eigen veroordeling te hoeven meewerken, is gelet op die ratio beperkt tot de verklaring die verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd en strekt zich niet uit tot verklaringen van bijv. medeverdachten. T.a.v. een eventuele inbreuk op het evenbedoelde recht van een medeverdachte geldt het in HR LJN AM2533, rov. 3.5 verwoorde uitgangspunt: indien het niet verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, zal in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim. Hierbij verdient opmerking dat indien door vormverzuimen bij de totstandkoming van de verklaring van een medeverdachte de betrouwbaarheid van die verklaring wezenlijk is be´nvloed, de rechter om die reden een dergelijke verklaring buiten beschouwing zal laten (vgl. HR LJN AM2533, rov. 3.6.4). Gelet op het vorenstaande geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde dat geen nadere motivering.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AM2533 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2740 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2006:AV1633 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AN9195 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BJ6932 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0018 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2740 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2010:BL0018 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:92