Parket bij de Hoge Raad, 08-11-2011 / 09/03090


ECLIECLI:NL:PHR:2011:BR6598
Datum08-11-2011
InhoudsindicatieOM-cassatie. Art. 8 en 9 (oud) wet Oorlogsstrafrecht. Bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte als bedoeld in art. 9 (oud) wet Oorlogsstrafrecht heeft het Hof terecht aansluiting gezocht bij het internationale recht ter zake. Daarbij heeft het ook kunnen betrekken de doctrine van command responsibility. Die doctrine is onder meer terug te vinden in art. 7.3 Statuut van het Joegoslaviėtribunaal en art. 6.3 Statuut Rwandatribunaal en de daarop betrekking hebbende rechtspraak; beide artikelen spreken in dat verband over het geval dat de meerdere knew or had reason to know that the subordinate was about to commit such acts or had done so and the superior failed to take the necessary and reasonable measures to prevent such acts or to punish the perpetrators thereof. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in de vorm van dergelijke command responsibility is vereist dat de meerdere effective control heeft over de ondergeschikte die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. In dat verband wijst de HR op ICTY 30-6-2006, IT-03-68-T, waarin het Joegoslaviėtribunaal een beschouwing over deze begrippen heeft gegeven en factoren heeft genoemd die indicatief kunnen zijn voor het bestaan van effective control. Het Hof heeft zijn oordeel dat geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte uit hoofde van zijn functie de taak had om de afdeling onderzoek en verhoor te controleren, betrokken bij het uiteindelijke oordeel dat de verdachte niet daadwerkelijk in staat was om de tenlastegelegde feiten te voorkomen. Mede gelet op de door de HR genoemde factoren die bij de beoordeling van de gezagsverhouding tussen de meerdere en zijn ondergeschikte in aanmerking kunnen worden genomen, geeft dat oordeel in zoverre geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Ook de feitelijke vaststellingen van het Hof dat het procesdossier onvoldoende informatie bevat voor de vaststelling dat de verdachte een zodanige positie had dat hij daadwerkelijk in staat was veranderingen aan te brengen in de structuur van de MID, dat gedetailleerde gegevens ontbreken t.a.v. de tijdstippen waarop de in de tenlastelegging genoemde misdrijven zijn gepleegd en dat gegevens ontbreken omtrent de bekendheid van de verdachte met details van voornoemde misdrijven, heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen betrekken bij het uiteindelijke oordeel dat geen sprake was van effective control.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2001:AB1471 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BG4822 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BC7418 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2796 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BR6598 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BC7421 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2009:BK8758 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2010:BL9002
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2796 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BR6598 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2009:BK8758 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARL:2015:2968