Parket bij de Hoge Raad, 23-10-2012 / 10/05426


ECLIECLI:NL:PHR:2012:BY4238
Datum23-10-2012
InhoudsindicatieArt. 31.1 Vluchtelingenverdrag. Het oordeel van het Hof dat verdachte, die als vluchteling onmiskenbaar op doorreis was en wordt vervolgd t.z.v. het in het kader van zijn vlucht in het bezit hebben of aangewend hebben van vervalste documenten, de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag ontbeert op de grond dat hij bij binnenkomst of bij zijn verblijf gedurende vijf dagen in Nederland zich niet onverwijld bij de autoriteiten heeft gemeld, geeft blijk van een onjuiste opvatting omtrent die verdragsbepaling. Daarop heeft het Hof zijn verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging dan ook niet kunnen baseren.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO1587 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BQ7762 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BW6666 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BT1671 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY4238 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY4238 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2013:1545