Parket bij de Hoge Raad, 25-06-2013 / 12/05645


ECLIECLI:NL:PHR:2013:606
Datum25-06-2013
InhoudsindicatieToepassing art. 15e (vanaf 2007: 12a) Wet Vpb: verval van een herinvesteringreserve (HIR) bij wijziging van het belang in het HIR-lichaam. Treft die bepaling ook gevallen waarin: (i) geherinvesteerd wordt vr de belangwijziging (voorafoplossing), (ii) pas vervreemd wordt n de belangwijziging (achterafoplossing) of (iii) vervreemding, belangwijziging en herinvestering zich in n boekjaar afspelen (alles-in-n-jaar-oplossing)? Feiten: De belanghebbende is moedermaatschappij van een fiscale eenheid waarin een dochter was gevoegd die ter zake van de verkoop van onroerend goed in 2001 een HIR had gevormd. In april 2004 heeft een aantal (rechts)handelingen plaats gevonden die bewerkstelligden dat (i) de economische eigendom van een hotel aan de dochter werd overgedragen, en (ii) de aandelen in de dochter aan een derde werden overgedragen. In geschil is of de belanghebbende onafgebroken voornemens was te herinvesteren en of de HIR op de voet van art. 15e Wet Vpb in 2004 tot belanghebbendes fiscale winst gerekend moet worden. De Rechtbank zag geen periode waarin de belanghebbende geen investeringsvoornemen zou hebben gehad. Onder verwijzing naar art. 14 Besluit fiscale eenheid en art. 15aj(4) Wet Vpb oordeelde zij voorts dat bij een samenval van belangwijziging in de zin van art. 15e Wet Vpb en ontvoeging uit een fiscale eenheid, eerst de fiscale eenheid wordt verbroken, waarbij de HIR werd toegedeeld aan de dochter, en daarna de aandelen in de dochter werden geacht te zijn vervreemd, zodat de HIR vrijvalt vr of gelijktijdig met die belangenwijziging, maar in elk geval na verbreking van de eenheid. De Rechtbank heeft daarom belanghebbendes beroep gegrond verklaard. Ook het Gerechtshof oordeelde op het hoger beroep van de Inspecteur dat de belanghebbende onafgebroken voornemens was te herinvesteren. Art. 15e Wet Vpb achtte het Hof niet van toepassing nu de Inspecteur niet aannemelijk maakte dat het belang in de dochter overging vrdat zij herinvesteerde. Aan het aannemen van fraus legis stond volgens het Hof in de weg dat doel en strekking van art. 15e Wet Vpb niet worden miskend als de HIR in casu niet aan de winst zou worden toegevoegd. De Staatssecretaris stelt in cassatie dat (i) de herinvestering vr de belangwijziging materieel door de nieuwe aandeelhouder is gedaan en de wetgever voor dat geval niet beoogde heffing uit te stellen, en (ii) doel en strekking van art. 15e van de Wet Vpb 1969 worden miskend als de HIR niet vrijvalt. A-G Wattel concludeert ter zake van het beroep op doel en strekking van de bepaling dat het gaat om een speciale anti-misbruikbepaling tegen doorschuiving van stille reserves die buiten verdenking zou staan als het belang in de belanghebbende niet zou zijn gewijzigd of als zij niet voornamelijk beleggingsvermogen zou hebben aangehouden; een bepaling die naar haar duidelijke bewoordingen bepaalde situaties niet treft. De literatuur en ook de medewetgever als uitvoerder hebben daar duidelijk op gewezen. De wetgever heeft nagelaten de duidelijk beperkte tekst met zijn kennelijk ruimere bedoeling in overeenstemming te brengen, k toen hij in 2005 wl de tekst aanscherpte ter zake van de achterafoplossing. De bepaling is voorts tegen het advies van de Raad van State in ingevoerd, die meende dat op het vlak van de feitenvaststelling en het bewijs (wel of geen herinvesteringsvoornemen?) gestreden moest worden. De A.-G. meent dat onder deze omstandigheden, mede op grond van de rechtszekerheid die belastingplichtigen geboden moet worden om hun zakelijke wandel te bepalen, de bepaling volgens haar duidelijke tekst moet worden uitgelegd. De arresten HR BNB 1984/130 en HR BNB 1993/211 (over verlieslichamen) waarnaar de Staatssecretaris verwijst, betroffen volgens de A-G andere gevallen, nu het daar ging om afstel en niet om uitstel van heffing, in die zaken geen sprake was van een tussentijdse onvolledige aanscherping ter zake van zeer nauw verwant ongewenst gedrag, en de tekst van de in die arresten bediscussieerde bepaling (art. 20(5) (oud) Wet Vpb) niet zo duidelijk een bepaalde volgorde van handelingen inhield als de tekst van art. 15e Wet Vpb 1969. Conclusie: cassatieberoep ongegrond
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BJ2006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1186 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BX6705 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY0548 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BB5195 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ3314 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD6390 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1997:AA2197 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY3249 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1712 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2012:BY1982 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY8171 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA7731 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2012:BY8169 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2000:AA5540 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2012:BZ0057 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1186 ★★★★