Parket bij de Hoge Raad, 10-10-2014 / 13/04831


ECLIECLI:NL:PHR:2014:1825
Datum10-10-2014
InhoudsindicatieOnteigening vermogensbestanddelen en effecten SNS Reaal en SNS Bank. Verzoek tot vaststelling schadeloosstelling, art. 6:8-10 Wft. Recht op volledige vergoeding van de schade, werkelijke waarde onteigende vermogensbestanddeel of effect. Formele rechtskracht onteigeningsbesluit. Betekenis overwegingen ABRvS in uitspraak over rechtmatigheid onteigeningsbesluit voor vaststelling schadeloosstelling; duaal stelsel Wft. Motiveringseisen voor aanbod schadeloosstelling minister? Zelfstandig oordeel Ondernemingskamer Maatstaf waardebepaling onteigende vermogensbestanddelen en effecten, art. 6:9 lid 1 Wft. Peilmoment; te verwachten toekomstperspectief; prijs die zou zijn overeengekomen tussen redelijk handelde partijen (meest biedende gegadigde?). Strekking art. 6:8 en 6:9 Wft. Al dan niet in aanmerking te nemen omstandigheden: hoedanigheid van systeemrelevante financiŽle instelling, dwangpositie Minister; SREP-besluit van DNB; relatieve betekenis beurskoers; waardeverhogend effect verleende staatssteun (art. 6:9 lid 2 Wft). Achterstelling van onteigende vorderingen. Betekenis oordeel ABRvS over achterstelling. Doorwerking 403-verklaring SNS Reaal op waarde achtergestelde vorderingen. Zijn crediteuren van achtergestelde vorderingen op SNS Bank bij aanspraak op grond van 403-verklaring SNS Reaal ook als achtergesteld te beschouwen ten opzichte van de concurrente crediteuren van SNS Reaal? Uitleg 403-verklaring naar objectieve maatstaven. Verplichtingen SNS Reaal uit hoofde van 403-verklaring; beginsel van gelijkheid van crediteuren (art. 3:277 lid 1 BW). Uitleg overeenkomst van achterstelling tussen crediteuren en SNS Bank (art. 3:277 lid 2 BW), invloed op verhaalspositie crediteuren ten opzichte van derde (SNS Reaal). Aard achterstellingsbeding. Invloed van (uit voldoening van andere 403-vorderingen voortvloeiende) regresvorderingen van SNS Reaal op SNS Bank; art. 6:11 BW. Deskundigenbericht, aan deskundige te verstrekken informatie, medewerkingsplicht partijen, art. 198 lid 3 Rv (HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626 en BB3676, NJ 2010/542 en 543). Kosten van door belanghebbenden ingeschakelde deskundigen: geen schade in de zin van art. 6:8 lid 1 Wft, maar kosten van het geding in de zin van art. 6:11 lid 4 Wft; redelijkheidstoets, rechtspraak art. 50 lid 4 Ow. Verzuim OK om te beslissen met betrekking tot bepaalde obligaties.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BY8101 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:691 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:661 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BB5626 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2002:AE4663 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BZ5356 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2013:BZ2265 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2008:BB3676 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2002:AE5160 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:898 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2014:6522 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:904 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:661 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2016:105 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2017:1397