Parket bij de Hoge Raad, 07-07-2016 / 15/02201


ECLIECLI:NL:PHR:2016:786
Datum07-07-2016
InhoudsindicatieDe onderhavige procedure maakt deel uit van drie samenhangende uitspraken inzake zeven verschillende belastingtijdvakken. De voorliggende conclusie betreft de jaren 2001 en 2003 tot en met 2006. Belanghebbende is woonachtig in BelgiŽ en heeft samen met zijn in Nederland woonachtige zakenpartner (als bedrijvendokters) een aantal transacties met betrekking tot de aan- en verkoop c.q. herstructurering van Nederlandse bedrijven verricht. Daarbij is gebruik gemaakt van verschillende entiteiten in o.a. Nederland, de Nederlandse Antillen en de BVI. Naar aanleiding van een boekenonderzoek dat in 2002 is aangevangen, heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat niet die entiteiten, maar belanghebbende en zijn zakenpartner de winst hebben genoten. De houdstervennootschap ([C] N.V.) die de belangen in de Nederlandse bedrijven hield, zou dat namens het samenwerkingsverband van belanghebbende en zijn zakenpartner hebben gedaan. De winst van belanghebbende zou bestaan uit het aandeel in de winsten die werden behaald met de eerdergenoemde transacties, de rente op daarmee samenhangende leningen en de inkomsten uit (het economisch eigendom van) een pand in [T]. Middels een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger zou de winst van belanghebbende aan Nederland moeten worden toegerekend. Op 29 maart 2004 heeft voorts een doorzoeking door de FIOD van de woning en het kantoor van belanghebbende en de zakenpartner plaatsgevonden. In de strafrechtelijke procedure die volgde, is belanghebbende vrijgesproken van o.a. oplichting van de Belastingdienst. De uitspraak van het Hof valt uiteen in een aantal formele en materiŽle aspecten. Het Hof heeft (ambtshalve) overwogen dat de vrijspraak in de strafprocedure niet tot gevolg heeft dat de aanslagen moeten worden vernietigd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de omkering en verzwaring van de bewijslast is ingetreden aangezien belanghebbende niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbende de volledige beschikkingsmacht heeft behouden over het toonderaandeel in een van de betrokken entiteiten. Dat de gerechtigdheid tot het aandeel op enig moment zou zijn overgegaan door middel van schenking aan de (ex-) echtgenote, acht het Hof niet aannemelijk. Hetzelfde geldt voor de beweerde afzondering van het aandeel in een SPF. De SPF wordt door het Hof als fiscaal transparant aangemerkt. Het Hof vindt steun voor zijn oordeel in de gespreksverslagen die daarover zijn gevoerd met de bestuurder van de SPF. Die zou feitelijk geen zelfstandige positie innemen en in fiscaal opzicht de wensen en opdrachten van belanghebbende dienen uit te voeren. Deze omstandigheid in samenhang bezien met de omstandigheid dat de daadwerkelijke activiteiten m.b.t. transacties door belanghebbende en zijn zakenpartner werden verricht, leiden volgens het Hof tot het oordeel dat de houdstervennootschap van de Nederlandse bedrijven slechts voor het fiscale gezicht is tussengeplaatst teneinde de boekwinst op de verkooptransactie buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te brengen. In werkelijkheid zou de houdstervennootschap slechts een kassiersfunctie vervullen. Het Hof acht bij belanghebbende een bron van inkomen aanwezig, zijnde een onderneming. Een vaste inrichting in Nederland heeft het Hof niet aanwezig geacht. Wel oordeelt het Hof dat de onderneming (mede) werd gedreven met behulp van een vaste vertegenwoordiger in de persoon van de zakenpartner zodat de winsten daaraan moeten worden toegerekend. In cassatie wordt het oordeel van het Hof op meerdere punten bestreden. A-G Niessen komt op basis het arrest Melo Tadeu en eerdere rechtspraak van het EHRM tot de conclusie dat de fiscale rechter zelfstandig kan beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen, zonder dat hij is gebonden aan een oordeel van de strafrechter over hetzelfde feitencomplex. Wel dient de fiscale rechter zich te onthouden van uitlatingen en gedragingen die, gelet op de bewoordingen daarvan, twijfel oproepen over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafprocedure werd verweten. Het Hof heeft geoordeeld dat de houdstervennootschap is tussengeschoven teneinde de boekwinst op de transactie buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden. Daarin ligt impliciet het oordeel besloten dat een valse voorstelling van zaken is gegeven. Dat oordeel moet daarom worden vernietigd. Dat doet er volgens de A-G niet aan af dat de overige vastgestelde feiten s Hofs oordeel dragen dat houdstervennootschap een kassiersfunctie had. De gevolgen die het Hof aan deze vaststellingen fiscaalrechtelijk heeft verbonden, staan daarmee los van s Hofs oordeel dat de belanghebbende het oogmerk had de fiscus te misleiden. De A-G meent dat s Hofs oordeel dat de omkering en verzwaring van de bewijslast is ingetreden, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is. De stelling van belanghebbende dat hij op pleitbare gronden mocht menen als buitenlands belastingplichtige niet tot antwoorden verplicht te zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Het Hof heeft voorts vaste vertegenwoordiging in de persoon van de zakenpartner kunnen aannemen aangezien, anders dan belanghebbende betoogt, niet is uitgesloten dat zakenpartners als vaste vertegenwoordiger van elkaar of van een bepaald samenwerkingsverband kunnen fungeren. Hoewel er volgens de A-G op zichzelf iets valt te zeggen voor hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd ten aanzien van de toerekening van de winsten aan de vaste vertegenwoordiging, stuit dit af op de omstandigheid dat in de onderhavige procedure terecht de omkering en verzwaring van de bewijslast is toegepast. De A-G concludeert niettemin tot vernietiging van de uitspraak aangezien het Hof een essentiŽle stelling onbesproken heeft gelaten. Voor het overige acht de A-G de bestreden oordelen niet onjuist of onbegrijpelijk zodat de daartegen aangevoerde middelen falen. De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de procedure te verwijzen voor nader onderzoek.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO5046 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH1083 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO5087 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2003:AF7498 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:643 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2002:AD8475 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:3603 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1999:AA2713 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BK1488 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2006:AR6478 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2012:BY7372 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:3273 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BZ4218 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1526 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1996:AA2023 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2006:AV6967 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:842 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BC7254 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2006:AW2207 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2012:BX0226 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AO9047 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1996:AA1845 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARN:2004:AO6970 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1995:AA1637 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:676
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:676