Parket bij de Hoge Raad, 11-04-2017 / 16/03830


ECLIECLI:NL:PHR:2017:353
Datum11-04-2017
InhoudsindicatieBelanghebbende is een uitzendbureau dat in de jaren 2010-2012 ongeveer 1.500 tot 1.750, voornamelijk Poolse, uitzendkrachten in dienst had. Alle uitzendkrachten moesten deelnemen aan een scholingstraject. Het betrof een tweejarig BBL-traject waarbij deelnemers werden opgeleid tot Arbeidsmarkt Gekwalificeerd Assistent. Ter zake daarvan heeft belanghebbende afdrachtvermindering onderwijs geclaimd. Het Hof kwam in navolging van de Rechtbank tot het oordeel dat de tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van de wet eraan in de weg staat dat de Inspecteur toetst of de beroepspraktijkvorming van de beroepsopleiding is gevolgd. Belanghebbende is er naar s Hofs oordeel niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de uitzendkrachten de beroepspraktijkvorming hebben gevolgd. Het geschil in cassatie betreft de vraag of (i) de inspecteur bevoegd is inhoudelijk te toetsen aan het begrip beroepspraktijkvorming (artikel 14 WVA), (ii) het Hof de bewijslast juist heeft verdeeld bij belanghebbendes beroep op begunstigend beleid, en (iii) het Hof tot het oordeel kon komen dat stukken niet behoefden te worden overgelegd omdat het niet aan de juistheid van de stelling van de Inspecteur twijfelde dat de stukken niet op de zaak betrekking hadden, zonder daarvan kennis te hebben genomen. De A-G geeft in zijn beschouwing weer in hoeverre de Inspecteur bevoegd is te toetsen aan de voorwaarden van artikel 14 WVA, dan wel aan de vereisten van de WEB. Hij laat zien dat de bevoegdheid om te toetsen aan de vereisten van de WEB toekomt aan de onderwijsinspecteur. De belastinginspecteur zal in beginsel louter controleren of diplomas zijn uitgereikt. Slechts indien dat niet het geval is, kan hij beoordelen of de beroepspraktijkvorming, van de beroepsopleiding waarvoor afdrachtvermindering onderwijs is geclaimd, is gevolgd. De A-G meent dat belanghebbendes middel, dat de Inspecteur niet bevoegd is te toetsen of de beroepspraktijkvorming is gevolgd, faalt. Nu de uitzendkrachten géén diplomas hebben behaald, was de Inspecteur bevoegd om dit te toetsen. Naar s Hofs oordeel is belanghebbende er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de beroepspraktijkvorming van de opleiding Arbeidsmarkt Gekwalificeerd Assistent is gevolgd. Dat oordeel is, als van feitelijke aard en niet onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, in cassatie onaantastbaar, aldus de A-G. Wél slaagt het middel waarmee belanghebbende opkomt tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van begunstigend beleid. Door te overwegen dat belanghebbende (a) geen besluit, waaruit het bestaan van een begunstigend beleid blijkt, heeft overgelegd, en (b) geen feiten heeft aangevoerd die grond bieden voor de conclusie dat sprake was van een wel gevoerd, maar niet gepubliceerd begunstigend beleid, heeft het Hof de bewijslast volgens de A-G onjuist verdeeld. Het Hof heeft niet beoordeeld of de gevallen waarop belanghebbende hem heeft gewezen, het vermoeden rechtvaardigen dat begunstigend beleid is gevoerd (HR BNB 2004/392). Derhalve moet verwijzing volgen om te onderzoeken of de door belanghebbende overgelegde documenten het genoemde vermoeden met zich brengen, en zo dat het geval is, of de Inspecteur met hetgeen hij in het verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd, dat vermoeden heeft weerlegd. Het Hof heeft zonder kennisname van diverse aantekeningen, een e-mail alsmede een bij de e-mail gevoegde bijlage geoordeeld dat deze niet op de zaak betrekking hebben. Indien dit oordeel is gebaseerd op het uitgangspunt dat de rechter kan beoordelen of de inhoud van het betreffende stuk voor de besluitvorming in de zaak van belang is geweest, zonder kennisneming van die inhoud, berust het gezien HR BNB 2014/28 op een onjuiste rechtsopvatting. Indien het oordeel berust op de juiste rechtsopvatting dat de rechter ook zonder kennisneming van het desbetreffende stuk kan beslissen dat dit stuk niet van enig belang voor de besluitvorming kan zijn (geweest), is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit de stukken van het geding in feitelijke instanties blijkt dat de Inspecteur zich noch op het standpunt heeft gesteld dat er gewichtige redenen zijn die zich tegen overlegging van de stukken verzetten, noch dat uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht aan de orde zijn. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en verwijzing dient te volgen.
TijdschriftartikelParket bij de Hoge Raad 11-04-2017 (met noot)
Redactionele aantekening
V-N 2017/34.23
Hof verdeelt bewijslast over begunstigend beleid in WVA-zaak verkeerd volgens A-G
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BA3823 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:874 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:29 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:1182 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:1129 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2016:38 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:3041 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:740 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AL8260 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2015:2196 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA4569 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:2434 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2016:2010 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2015:8142
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2015:2420
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:2434 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2018:2591