Parket bij de Hoge Raad, 02-08-2018 / 18/01620


ECLIECLI:NL:PHR:2018:840
Datum02-08-2018
InhoudsindicatieA-G Niessen heeft conclusie genomen in de zaak met nummer 18/01620, alsmede in de samenhangende zaak met nummer 18/01619. Belanghebbende was in 2013 werkzaam op een binnenschip. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2013 in loondienst bij [C] Ltd. De SVB heeft op 24 juni 2014 een A1-verklaring afgegeven, welke inhoudt dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 in Nederland aan de heffing van premie volksverzekeringen was onderworpen. [C] Ltd. heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, welk beroep door de rechtbank Noord-Nederland gegrond is verklaard. De SVB heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en [C] Ltd. incidenteel hoger beroep bij de CRvB. De CRV heeft de SVB opgedragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de A1-verklaring van 24 juni 2014 te nemen. Op 20 maart 2018 heeft de SVB een nieuwe uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij ook een nieuwe A1-verklaring afgegeven. De A1-verklaring van 20 maart 2018 vermeldt dat [C] Ltd. de werkgever van belanghebbende is en dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot en met 30 april 2014 onderworpen is aan de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland. Door toepassing van de judiciŽle lus van artikel 8:113, lid 2, Awb alleen hoger beroep tegen de beslissing van 20 maart 2018 kan worden ingesteld bij de CRvB. De Inspecteur heeft op 5 augustus 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een verzamelinkomen van 37.566 en een premie-inkomen van 33.363. Bij de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur de in de aangifte verzochte vrijstelling premie volksverzekeringen niet verleend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2015 het door belanghebbende tegen de aanslag gemaakte bezwaar afgewezen. Het daartegen gerichte beroep van belanghebbende, is door de Rechtbank bij uitspraak van 18 augustus 2016 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 18 april 2017 heeft het gerechtshof s-Hertogenbosch de Hoge Raad op voet van artikel 27ga AWR juncto artikel 27h AWR verzocht om een prejudiciŽle beslissing. De prejudiciŽle vragen luiden: I. Dient de aanslag met betrekking tot de premies volksverzekeringen te worden verminderd tot nihil, omdat ten tijde van het opleggen van deze aanslag, dan wel ten tijde van het einde van de bezwaartermijn (artikel 7:10 van de Awb), de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 niet onherroepelijk vaststond? II. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord: Dient aan de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 voorbij te worden gegaan en dient het Hof zo spoedig mogelijk de zaak zelf te beslissen op basis van het procesdossier? III. Indien vragen I en II ontkennend worden beantwoord: Kan het Hof de zaak terugwijzen naar de Inspecteur voor een hernieuwde behandeling van het bezwaar en het opnieuw doen van een uitspraak op bezwaar (eventueel onder toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb) onder de bepaling dat, onder naleving van artikel 7:10, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 7:10, vierde lid, aanhef, onderdeel c, van de Awb, pas uitspraak op bezwaar hoeft te worden gedaan nadat (na de terugwijzing in de uitspraak van de CRvB) de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018 bekend zal zijn? IV. Indien vragen I en II ontkennend en III bevestigend worden beantwoord: Als gewacht moet worden op de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018, is er, mede gelet op artikel 47 van het Handvest, een maximum aan de termijn waarvoor de zaak door de Inspecteur kan worden aangehouden? V. Indien vragen I, II en III ontkennend worden beantwoord: Als gewacht moet worden op de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018, is er, mede gelet op artikel 47 van het Handvest, een maximum aan de termijn waarvoor de zaak door het Hof moet worden aangehouden? Eerste prejudiciŽle vraag Met de eerste prejudiciŽle vraag wil het Hof weten of de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door de aanslag op te leggen dan wel uitspraak op bezwaar te doen, terwijl de door de SVB afgegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 nog niet onherroepelijk vaststond. De A-G acht op grond van de in de Nederlandse wetgeving opgenomen bevoegdheidsverdeling tussen de SVB en de Belastingdienst, de Belastingdienst gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring ook als deze nog niet onherroepelijk vaststaat. De A-G is van oordeel dat de Inspecteur op voet van artikel 7:10, lid 4, aanhef en onder a, Awb met een betrokkene een afspraak kan maken dat een bezwaarschrift wordt aangehouden, maar dat het niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb is als hij dit niet doet. Naar het oordeel van de A-G kan de belastingrechter niet oordelen over de inhoudelijke gelding van de A1-verklaring, omdat dit op grond van de door de Nederlandse wetgever gekozen bevoegdheidsverdeling tussen de belastingrechter en de sociale-zekerheidsrechter, bij de sociale zekerheidswetgever thuishoort. Dit brengt mee, aldus de A-G dat de belastingrechter de door de SVB afgegeven nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring dient te volgen, ook in die gevallen dat de belastingrechter meent dat de A1-verklaring op onjuiste feiten of op een onjuiste rechtsopvatting berust. Als de procedure van artikel 16 Verordening 987/2009 leidt tot een andere vaststelling van de toepasselijke wetgeving dan was opgenomen in de A1-verklaring en er al wel premies zijn geheven, dan wordt het bevoegde orgaan van de andere lidstaat retroactief geacht bevoegd te zijn en worden zoveel mogelijk de premies verrekend. Indien de SVB de A1-verklaring na de uitspraak van de belastingrechter door de SVB wordt ingetrokken, dan kan de betrokkene met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb om herziening vragen. Tweede prejudiciŽle vraag Met de tweede prejudiciŽle vraag wil het Hof weten of voorbij kan worden gegaan aan de A1-verklaringen van 24 juni 2014 en 20 maart 2018 en op grond van het procesdossier een beslissing genomen dient te worden. De A-G is van oordeel dat met de afgifte van een nieuwe A1-verklaring op 20 maart 2018 de A1-verklaring van 24 juni 2014 is ingetrokken. Dit brengt mee dat het Hof, aldus de A-G, dient uit te gaan van de nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring van 20 maart 2018. De A-G is van oordeel dat het Hof gebonden is aan deze nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring en op grond daarvan een beslissing dient te nemen. Derde prejudiciŽle vraag Het Hof wil met de derde prejudiciŽle vraag weten of het de zaak naar de Inspecteur kan terugwijzen omdat de Inspecteur de zaak niet heeft aangehouden. Naar het oordeel van de A-G biedt artikel 7:10, lid 4, aanhef en onder a, Awb de Inspecteur de mogelijkheid om de zaak aan te houden maar is hij dat niet verplicht. Dat in onderhavige zaak de Inspecteur de zaak niet heeft aangehouden levert, aldus de A-G, geen grond om op voet van artikel 8:72, lid 4, Awb het beroep van belanghebbende gegrond te verklaren en de uitspraak van de Inspecteur te vernietigen, en de zaak naar de Inspecteur terug te wijzen. Vierde en vijfde prejudiciŽle vraag Met de vierde en vijfde prejudiciŽle vraag wil het Hof of er mede gelet op artikel 47 Handvest een maximum is aan de termijn waarvoor de zaak door de Inspecteur respectievelijk het Hof kan worden aangehouden. De A-G merkt op dat de Inspecteur op voet van artikel 7:10, lid 4, aanhef en onder c, Awb, niet langer kan uitstellen dan voor de tijd die met de wettelijke procedurevoorschriften gemoeid is. Dit betekent dat de Inspecteur zonder de toestemming van belanghebbende de zaak niet kan aanhouden tot de SVB uitspraak op bezwaar heeft gedaan of de CRvB uitspraak heeft gedaan. Gelet op het overzichtsarrest HR BNB 2016/140 is de A-G van mening dat de tijd die gemoeid is met het afwachten van een beslissing van de procedure in de sociale- zekerheidskolom, bij de beoordeling of sprake is van overschrijding redelijke termijn buiten beschouwing blijft. Conclusie De A-G beantwoordt de prejudiciŽle vragen als volgt: 1) dat de omstandigheid dat de Inspecteur de aanslag heeft vastgesteld, dan wel bij uitspraak op bezwaar op belanghebbendes bezwaar heeft beslist, terwijl hij op de hoogte was van de omstandigheid dat belanghebbende beroep bij de sociale-zekerheidsrechter heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de SVB en de daarmee samenhangende A1-verklaring, niet betekent dat de Inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb heeft gehandeld. De Inspecteur is mijns inziens gebonden aan de door SVB afgegeven A1-verklaring, ook als deze verklaring nog niet onherroepelijk vaststaat. 2) dat het Hof zo spoedig mogelijk de zaak dient te beslissen, maar daarbij niet voorbij dient te gaan aan de door de SVB afgegeven maar nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring van 20 maart 2018. De belastingrechter is mijns inziens gebonden aan de door de SVB afgegeven nog niet onherroepelijk vaststaande A1-verklaring van 20 maart 2018. 3) dat het Hof de zaak niet kan terugverwijzen naar de Inspecteur voor een hernieuwde behandeling maar de zaak zelf dient af te doen. 4) dat de Inspecteur niet op grond van artikel 7:10, lid 4, aanhef en onder c, de beslissing op bezwaar langer kan uitstellen dan de tijd die gemoeid is met de wettelijke procedurevoorschriften. Dit betekent dat de Inspecteur zonder toestemming van de belanghebbende op grond van artikel 7:10, aanhef en onder c, Awb de beslissing op bezwaar niet kan uitstellen tot de SVB uitspraak op bezwaar heeft gedaan of de CRvB uitspraak heeft gedaan. 5) dat niet gewacht moet worden op de definitieve uitkomst ten aanzien van de door de SVB gegeven A1-verklaring van 24 juni 2014 en de A1-verklaring van 20 maart 2018. Indien gewacht wordt, is er geen maximum is aan de termijn waarmee een zaak wordt aangehouden. Wel dient de rechter partijen uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen om bezwaren schriftelijk kenbaar te maken. Daarnaast zal de rechter, nadat de beslissing van de andere rechter openbaar is geworden of hij er op andere wijze kennis van heeft kunnen nemen, zo snel mogelijk uitspraak dienen te doen.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2016:252 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BO5046 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2014:188 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2016:3131 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2132 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2013:105 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2008:BG6401 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:3016 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:636 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH0546 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2016:485 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2017:4469 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:310 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2001:AB0987 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:357 ★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2014:281 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AR7765 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2018:63 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBARN:2012:BW0470 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2003:AN7266 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2014:2055 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BO3642 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2004:AO5547 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2003:AI0575 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBNHO:2018:1745 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2018:1644 ★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2012:691 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2010:BO4110 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2017:3695 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2017:2766 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2018:2285 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBZWB:2016:6159 ★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2015:60 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:2778 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2017:11681
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2017:3694
Gerelateerd ECLI:EU:C:2014:2463
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2007:BA4818
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2006:AY5095
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2003:AH9771
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2000:AA6520
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1995:AA1672
Gerelateerd ECLI:NL:RBZWB:2016:5317
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2018:3983
Gerelateerd ECLI:NL:RBGEL:2018:3927
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2018:1838
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2018:2617