Parket bij de Hoge Raad, 22-03-2019 / 18/02951; 18/02952; 18/02953; 18/02954; 18/02955; 18/02956


ECLIECLI:NL:PHR:2019:276
Datum22-03-2019
InhoudsindicatieTerugwijzing Hof naar Rechtbank op de voet van art. 8:115 Awb; omvang van het geding na terugwijzing en appelabiliteit van s Hofs eerste uitspraak; importwaardebepaling voor de bpm bij tweedehands schadeautos met meer dan normale gebruiksschade; taxatie-aangifte; 72%-regeling ex Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling bpm in strijd met art. 110 VwEU? Feiten en geschil: De belanghebbende heeft in 2015 bpm op aangifte voldaan ter zake van de registratie in het Nederlands kentekenregister van 157 personenautos met meer dan normale gebruiksschade afkomstig uit andere lidstaten van de EU. De waarde van de autos c.q. de schade is vastgesteld door middel van een taxatie. Overeenkomstig Bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling bpm heeft de belanghebbende slechts 72% van het schadebedrag in mindering gebracht op de waarde van de auto. In geschil is of deze zogenoemde 72%-regeling in strijd is met art. 110 VwEU. De zaken over de 157 personenautos zijn zowel in feitelijke instantie als in cassatie in zes zaken geclusterd en worden in één conclusie behandeld. De Rechtbank Den Haag (eerste ronde) heeft belanghebbendes beroepen ongegrond verklaard, omdat zij de 72%-regeling niet in strijd met het Unierecht achtte en de belanghebbende niet was geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat de waardevermindering door schade hoger was dan 72% van de getaxeerde herstelkosten. Het Gerechtshof Den Haag (eerste ronde) heeft belanghebbendes hogere beroepen daartegen gegrond verklaard en de zaken tot verbetering van het bewijsoordeel teruggewezen naar de Rechtbank Den Haag (art. 8:115 Awb). De Rechtbank Den Haag (tweede ronde) heeft belanghebbendes beroepen daarop opnieuw ongegrond verklaard, met verbetering van haar oordeel dat het bewijs van hogere waardevermindering dan 72% van de herstelkosten niet is geleverd. De belanghebbende stelde in die tweede ronde bij de Rechtbank opnieuw dat de 72%-regeling het Unierecht schond, maar daar is de Rechtbank niet opnieuw op ingegaan omdat het Hof de zaken enkel naar haar had teruggewezen voor een nieuw bewijsoordeel, dus alleen voor een oordeel over de waardevermindering. Tegen dat oordeel is de belanghebbende opnieuw in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof Den Haag (tweede ronde) heeft die hogere beroepen ongegrond heeft verklaard, daarbij overwegende dat de Rechtbank Den Haag de terugwijzing correct had uitgelegd. In cassatie werpt de belanghebbende procesrechtelijke vragen op, nl. (i) naar de omvang van het geding na terugwijzing door het Hof in de eerste ronde (kan het nog gaan over de verenigbaarheid met art. 110 VwEU?) en (ii) naar de appellabiliteit van de eerste Hofuitspraak (had de belanghebbende in de eerste Hofronde in cassatie moeten gaan tegen s Hofs oordeel dat het EU-recht niet was geschonden?) maar ook een materieelrechtelijke vraag (is de 72%-regeling verenigbaar met art. 110 VwEU?). De laatste vraag komt echter alleen aan snee als de belanghebbende haar rechten op dat punt niet heeft verspeeld. Volgens A-G Wattel is de uitspraak van het Hof in de eerste ronde (de zogenoemde terugwijzingsuitspraak) een uitspraak volgens afdeling 8.2.6., zodat daartegen cassatieberoep open staat. Dat betekent in uitgangspunt dat de belanghebbende daartegen dan ook beroep in cassatie had moeten instellen om s Hofs verwerping van het beroep op het Unierecht aan te vechten. De A-G acht een uitzondering echter aangewezen, omdat het dictum van s Hofs eerste uitspraak niet vermeldt dat belanghebbendes beroep op het Unierecht wordt verworpen en daartegen separaat cassatieberoep moet worden ingesteld. Het dictum vermeldt slechts vernietiging en verwijzing en wekt de indruk dat het gehele geschil teruggaat naar de Rechtbank. Aangezien s Hofs uitspraak niet in duidelijkheid uitblinkt, een terugwijzingsprocedure op de voet van art. 8:115 Awb zoals in casu zelden voorkomt en de eenvoud van het belastingproces niet is gediend met een cassatieberoep vooruit en een terugwijzing achteruit, acht de A-G een uitzondering aangewezen. Hij beveelt daarbij aan tot hoofdregel te verheffen dat als het Hof bij een terugwijzingsuitspraak niet expliciet (ook in het dictum) vermeldt welke delen van het geschil hij definitief afdoet én dat daar cassatieberoep tegen moet worden ingesteld als de partijen het er niet mee eens zijn, die delen weliswaar niet in de tweede ronde bij de feitenrechters nogmaals aan de orde gesteld kunnen worden, maar wel, voor zover zij rechtsvragen behelzen, in cassatie na de tweede ronde. Het materiële geschilpunt komt aan snee: de verenigbaarheid van de 72%-regeling met art. 110 VwEU. De bpm op import van tweedehands autos mag op grond van deze bepaling niet hoger zijn dan het restbedrag aan bpm in de waarde van vergelijkbare reeds in Nederland geregistreerde autos. Een gelijksoortige auto is een auto met kenmerken die het dichtst die van de ingevoerde auto benaderen. Daarbij moet rekening worden gehouden met schade. Uit de jurisprudentie van het HvJ volgt de eis dat de waardevermindering van autos forfaitair mag worden bepaald, mits het forfait op redelijke wijze de werkelijke waardevermindering benadert en de belastingplichtige tot tegenbewijs van grotere waardedaling dan de forfaitair bepaalde redelijke benadering. De werkelijke kosten van het tegenbewijs mogen bij de belastingplichtige gelegd worden. De A-G meent dat de 72%-regeling op die basis geenszins onverenigbaar is met art. 110 VwEU, omdat zij (i) gebaseerd is op werkelijke gegevens van de schadeverzekeraars verzameld over twee jaren voor alle typen en leeftijden autos en volgens door die verzekeraars gebruikte calculatiemethoden en de regeling is tot stand gekomen in nauw overleg tussen die verzekeraars, de gespecialiseerde taxateurs en de fiscus, die er kennelijk alle drie mee instemmen, en (ii) het de belastingplichtige vrij staat om tegenbewijs te leveren zonder onredelijke administratieve belemmeringen, nl. volgens de gewone bewijslast (aannemelijk maken), zij het met bepaalde middelen (adequate calculatiemethoden en beeldmateriaal) die echter hoe dan ook al nauwelijks gemist kunnen worden bij de bepaling van de herstelkosten waarop die 72% wordt berekend. Uit de rechtspraak van het HvJ volgt dat art. 110 VwEU er geenszins aan in de weg staat dat de bewijslast voor afwijking van het (accurate) forfait en de kosten van tegenbewijs leveren bij de belastingplichtige worden gelegd, maar dat de criteria op basis waarvan het forfait is bepaald voor het publiek wel duidelijk moeten zijn. Op dat punt zou de Nederlandse 72%-regeling meer toelichting kunnen gebruiken, maar de wat magere toelichting door de Staatssecretaris maakt niet heel inzichtelijk hoe de 72% precies is berekend. Dat maakt voor het tegenbewijs echter niet uit, nu dat op een los van het forfait staande concrete individuele expertise moet berusten. Conclusie: cassatieberoep ongegrond.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2003:AF7495 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2132 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:45 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2013:857 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2014:2 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:847 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BB3489 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:840 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BU4804 ★★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2015:216 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BX7173 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2005:AT3336 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2016:2998 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2011:219 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2009:BD5477 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2018:275 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:2822 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARL:2016:4937 ★★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2017:881 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:2977 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2012:BV0659 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:2757 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2630 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2018:2044
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2016:1998
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2016:732
Gerelateerd ECLI:EU:C:2016:421
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:2016
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:1999:AA3657
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2018:1874
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2017:16248
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2017:2866
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6393
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1184
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1183
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1182
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1181
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1180
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2019:1084