Rechtbank Amsterdam, 05-08-2019 / 13/650141-17 (A) + 13/659203-17 (B) (Promis)


ECLIECLI:NL:RBAMS:2019:5690
Datum05-08-2019
InhoudsindicatieEen 46-jarige man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar en 5 maanden en TBS met dwangverpleging voor de doodslag op en het wegmaken van het lichaam van slachtoffer 2 in 2004. Verdachte had als laatste contact met slachtoffer 2 op 7 november 2004, waarna zij is verdwenen en door niemand meer is gezien. Enkele dagen later werd haar lichaam in verschillende vuilniszakken aangetroffen in enkele bosjes in Amsterdam. Zij bleek door verstikking om het leven te zijn gekomen, waarna haar lichaam in stukken was gezaagd. Op de knoop van één van de vuilniszakken werd in 2016 (door nieuwe forensische technieken) DNA van verdachte aangetroffen. Verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood en/of wegmaken van het stoffelijk overschot van slachtoffer 1 in 2017. De rechtbank acht het aannemelijk dat slachtoffer 1 niet meer in leven is, nu zij al meer dan twee jaar is vermist en er taal noch teken van haar is vernomen. Er is echter geen lichaam aangetroffen en de oorzaak van het overlijden kan dan ook niet worden vastgesteld. Andere concrete sporen die zouden kunnen wijzen in de richting van een misdrijf, zoals een bloedspoor of een verdacht DNA-spoor, zijn evenmin aangetroffen. Weliswaar is sprake van bijzonder gedrag en opmerkelijke verklaringen van verdachte, maar daaruit kan geen betrokkenheid bij de dood van slachtoffer 1 worden vastgesteld, temeer omdat niet is gebleken dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen. Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van betrokkenheid bij de dood van slachtoffer 3 in 2003. Weliswaar kan worden vastgesteld dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen, maar ten aanzien van verdachte kan niet meer worden vastgesteld dat zij op enig moment voor haar overlijden seksueel contact hebben gehad. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten (inzake slachtoffer 2), de afschuwelijke omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de impact die deze feiten op de betrokkenen en de maatschappij hebben gehad, is een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaar passend en geboden. Omdat de redelijke termijn met zeven maanden is overschreden, zal een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 14 jaar en 5 maanden. Uit verschillende over verdachte opgemaakte rapportages, met name het rapport van het PBC uit 2019, blijkt dat sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met trekken van psychopathie en stoornissen op de gebieden alcohol en cocaïne. Deze stoornissen waren ook aanwezig in 2004, toen slachtoffer 2 om het leven werd gebracht, en zijn nooit behandeld. Ook uit het strafblad en uit verschillende getuigenverklaringen in het dossier komt een beeld naar voren van gewelddadig en normoverschrijdend gedrag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een onaanvaardbaar hoog recidiverisico als verdachte na detentie zonder behandeling zou terugkeren in de maatschappij. Daarom legt de rechtbank tevens de TBS-maatregel met dwangverpleging op.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2008:BD2578 ★★★★★