Rechtbank Den Haag, 08-12-2015 / 14_5668 IBPVV


ECLIECLI:NL:RBDHA:2015:14432
Datum08-12-2015
InhoudsindicatieEiser participeert in een scheepvaartfonds dat op 30 december 2010 de economische eigendom van een schip heeft gekocht. Ter financiering van (een deel van) deze aankoop heeft scheepvaartfonds eveneens op 30 december 20.00.000 dollar van de verkopende partij geleend, om vervolgens hetzelfde bedrag aan verkopen te betalen. In 2011 heeft eiser zijn participatie ingebracht in zijn BV. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 is de willekeurige afschrijving ter zake van de participatie van eiser in het schip niet geaccepteerd. Verweerder heeft de rechtbank laten weten dat eiser vertrouwen mag ontlenen aan een eerder gegeven beschikking geruisloze omzetting, hij niet langer betwist dat aan het verbondenheidscriterium wordt voldaan en sprake is van een bron van inkomen en ondernemerschap (de intrekking). Ter zitting heeft verweerder de intrekking heropen. Voor de rechtbank is in geschil of verweerder de intrekking heeft mogen herroepen. Voorts is in geschil of de willekeurige afschrijving terecht niet is geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de intrekking niet mogen heropen omdat ondubbelzinnig prijsgegeven verweer niet wederom in dezelfde instantie of in hogere instantie als nieuwe geschilpunt in de rechtsstrijd mogen worden betrokken. Verweerders standpunt dat hij niet aan de intrekking is gebonden omdat eiser ter aanzien van de beperking van de aansprakelijkheid van de participanten in het spaarfonds informatie zou hebben achtergehouden wordt door de rechtbank niet gevold. Verweerder had, geloofd op de koop- en leenovereenkomst tussen scheepvaarfonds en de verkoper, op de hoogte kunnen en moeten zijn van de beperking van de aansprakelijkheid van de participanten. Ook van de inhoud van daarop betrekking hebbend e-mailbericht had verweerder op de hoogte kunnen zijn. Ten aanzien van de participanten heeft verweerder namelijk gekozen voor een gecoŲrdineerde behandeling en het betreffende e-mailbericht is reeds op 23 april 2015 in de procedure van een andere participant ter zitting ingebracht. Ten aanzien van de willekeurige afschrijving luidt verweerders standpunt dat de financiering van de aankoop van het schip met een gelding van de verkopen, niet kwalificeert als betaling in de zin van aankoop van het schip met een geldlening van de verkoper, niet kwalificeert als betaling in de zin van artikel 3.35 van de Wet IB 2001. De rechtbank verwerpt dit standpunt: voor het begrip' 'betalen 'in de zijn van artikel 3.35 van de Wet IB 2001 dient te worden aangesloten de civielrechtelijke betekenis daarvan. Uitgaande van die betekenis is ook in het onderhavige geval sprake van een betaling. Noch de tekst van de Wet IN 2001 noch de totstandkomingsgeschiedenis daarvan bieden aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder. Dit zou slechts anders zijn indien aan de terugbetalingsverplichting geen reŽle betekenis toekom. Daaromtrent is door verweerder echt niet gesteld in is de rechtbank niets gebleken. Beroep gegrond.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2975 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BO6786 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:781 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARL:2015:5435 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2016:3455
Gerelateerd ECLI:NL:GHDHA:2016:3455