Rechtbank Den Haag, 05-10-2017 / 17_1547 IBPVV


ECLIECLI:NL:RBDHA:2017:11681
Datum05-10-2017
InhoudsindicatieGedurende 2013 woonde eiser in Nederland en werkte hij op een tot de Rijnvaart behorend binnenvaartschip. Eiser was van 1 januari tot en met 31 juli in loondienst bij een op Cyprus gevestigde vennootschap en van 1 augustus tot en met 31 december bij een in Liechtenstein gevestigde vennootschap. Door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is aan eiser een A1-verklaring afgegeven, waartegen een procedure loopt. Door Liechtenstein is eveneens een A1-verklaring afgegeven. Voor de periode van 1 januari tot en met 31 juli ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de door de SVB afgegeven A1-verklaring voorbij te gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser voor deze periode terecht als premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen aangemerkt. Dit temeer nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat het binnenvaartschip meer dan 40% van de tijd is ingezet op Nederlands grondgebied, hetgeen het vermoeden rechtvaardigt dat eiser een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. Ook bestaat geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. Los van de vraag of eiser binnen het gebied van Cyprus of Liechtenstein arbeid heeft verricht, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt onderworpen te zijn aan belastingheffing in deze landen. Van door eiser gestelde nettoloonafspraken die mogelijk tot verrekening van niet-ingehouden loonheffing zou kunnen leiden, is de rechtbank niet gebleken. Beroep ongegrond.
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:840 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2018:839