Rechtbank Noord-Holland, 11-02-2019 / HAA 16/2309


ECLIECLI:NL:RBNHO:2019:1024
Datum11-02-2019
InhoudsindicatiePartijen houdt verdeeld de vraag of ingevolge artikel 9, eerste lid van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) de waarde van de 71 onroerende zaken ten tijde van de verkrijging op een hoger bedrag dient te worden vastgesteld dan het bedrag van de koopsom van 250.480.075. Voorts heeft eiseres verzocht om vergoeding van geleden immateriële schade
Recht.nl artikelWaarde panden in vastgoeddeal afzonderlijk bepalen (04-07-2019)
Een koopsom die in niet-gelieerde verhoudingen tot stand komt, vertegenwoordigt meestal de waarde in het economische verkeer en daarmee de basis voor de overdrachtsbelasting. Toch is dat niet altijd het geval, zoals blijkt uit de volgende zaak. Een bv verkreeg in 2008 een vastgoedportefeuille. De verkoper was een dochtervennootschap van een beursgenoteerd fonds. De inspecteur stelde dat voor de overdrachtsbelasting de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken per object moest worden beoordeeld, omdat overdrachtsbelasting per verkrijging wordt geheven. Met de factoren ‘package deal’ en ‘snelheid’ moest volgens hem voor de overdrachtsbelasting geen rekening worden gehouden. Hij legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op, waartegen de bv in beroep ging.
> Het Register - vakblad van het Register Belastingadviseurs 3/2019, p. 23 (RB.nl)
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AO9006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:BX6666 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:199 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:2875 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2017:439 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1996:AA1902 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2003:AF4925
Gerelateerd ECLI:NL:GHLEE:2001:AB3157