Rechtbank Noord-Holland, 14-02-2019 / C/15/226704 / FA RK 15-3029


ECLIECLI:NL:RBNHO:2019:1685
Datum14-02-2019
InhoudsindicatieEchtscheiding. Voortzetting van de zaak na het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:31). Verzoek van de vader tot aanhouding van de zaak op grond van artikel 15 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Litispendentie. Minderjarige verblijft in India. Aanhouding beslissing over gezag en hoofdverblijfplaats. Verklaring voor recht betreffende de voorlopige voorziening. Ten aanzien van het verzoek van de vader betreffende aanhouding op grond van artikel 15 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de rechtbank van oordeel dat artikel 15 niet van toepassing is en het beroep van de vader op dit artikel faalt. De minderjarige had haar gewone verblijfplaats in Nederland op de datum van indiening van het verzoekschrift op grond van artikel 8 Brussel II-bis en de rechtbank is derhalve bevoegd ten aanzien van de verzoeken van de moeder. De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat de Hoge Raad heeft bepaald dat aan de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt, maar dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de nevenvoorziening kennis te nemen, nu er geen echtscheidingsprocedure in Nederland aanhangig is. De rechtbank houdt de zaak niet aan op grond van artikel 12 Rv. De beslissing op de nevenvoorzieningen wordt aangehouden in verband met de uitspraak inzake beëindiging van het gezag van de man in de zaak C15/275913/FA RK 18-3682 alsmede in verband met de procedures in India omtrent de echtscheiding en het gezag. De verzochte verklaring voor recht omtrent de beschikking voorlopige voorziening van 1 maart 2016 wordt toegewezen. De rechtbank is -gezien de samenhang tussen artikel 822 lid 1 sub c en artikel 827- van oordeel dat de beschikking voorlopige voorzieningen van 1 maart 2016 van kracht blijft tot onherroepelijk in een voor erkenning in Nederland vatbare Indiase rechterlijke uitspraak dan wel in een uitspraak van de Nederlandse rechter zal zijn beslist over het gezag en de hoofdverblijfplaats van de minderjarige.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2018:31 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:PHR:2019:454