Rechtbank Noord-Holland, 14-02-2019 / C/15/275913/FA RK 18-3682


ECLIECLI:NL:RBNHO:2019:1686
Datum14-02-2019
InhoudsindicatieBeëindiging van het gezag van de vader. De minderjarige verblijft in India bij haar vader. Bevoegdheid Nederlandse rechter. Erkenning beslissing India. Litispendentie. Het verzoek van de Raad wordt toegewezen. De rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in bovenvermeld artikel, de navolgende feiten en omstandigheden betrokken. Los van de vraag of er al dan niet sprake is van ontvoering, staat vast dat [de minderjarige] in een belangrijke levensfase, waarin zij bezig was zich te hechten, van de ene op de andere dag is weggehaald bij haar moeder die op dat moment de verzorgende ouder was en van Nederland naar India is overgebracht. De vader is de afgelopen twee jaar niet in staat geweest om contact mogelijk te maken tussen de moeder en [de minderjarige] en haar zus. Pas recent is er onder grote en voortdurende druk van de Indiase rechter voor het eerst in twee jaar contact geweest, maar dit contact is niet structureel, ondanks de orders van de Supreme Court van India. Hoewel er bij de Raad geen zorgen zijn over de welstand waarin [de minderjarige] opgroeit, zijn er wel grote zorgen over haar emotionele ontwikkeling, die door de rechtbank worden gedeeld. Behalve de vader weet niemand hoe het met [de minderjarige] gaat, wat haar is verteld en wat dit alles met haar doet. Het blijft onduidelijk of er voor [de minderjarige] hulpverlening in India is ingezet. De vader informeert de moeder niet over het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] en is niet in staat het gesprek met de moeder over [de minderjarige] aan te gaan. Daarnaast ontbreekt het contact met haar moeder, zusje en de familie van moederszijde. Dit alles leidt tot het oordeel dat [de minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat deze situatie al dermate lang voortduurt dat de aanvaardbare termijn is overschreden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het gestelde in artikel 1:266, eerste lid onder a, BW.