Rechtbank Noord-Holland, 28-03-2019 / 15/210235-18


ECLIECLI:NL:RBNHO:2019:2968
Datum28-03-2019
InhoudsindicatieVerdachte is gedagvaard in verband met het overtreden van art. 2 en 3 Opiumwet alsmede art. 1.2.2. van het Vuurwerkbesluit. Met betrekking tot de verdovende middelen hebben het politieonderzoek, het dossier en de tenlastelegging zich duidelijk gericht op de concrete hoeveelheden soft en hard drugs die verdachte ten tijde van de doorzoeking thuis voorhanden had. Van de handel in bedoelde drugs wordt verdachte ondanks zijn verklaring ter zitting dat hij in drugs heeft gehandeld- vrijgesproken. Ten aanzien van de bij verdachte thuis aangetroffen hoeveelheid en soorten vuurwerk, stroken het proces-verbaal van doorzoeking en het proces-verbaal van het Centraal Onderzoeksteam Vuurwerk (PV COV) niet met elkaar. Onduidelijk is daarbij in hoeverre ook zogenaamde babynitraten door het COV zijn meegeteld en zo ja, of deze nader zijn onderzocht wat betreft de vraag of deze babynitraten vallen onder lijst II en art.1.2.2. Vuurwerkbesluit. Ook is onduidelijk gebleven op basis waarvan het COV heeft geconcludeerd dat een rapport van het NFI uit 2017 jn een andere strafzaak opgemaakt, onverkort tot bewijs zou kunnen dienen in onderhavige zaak. Gelet op de uiterlijke verschillen tussen het door het NFI technisch onderzochte en het bij verdachte aangetroffen vuurwerk (waar kennelijk geen verder (technisch) onderzoek naar is verricht), is de conclusie in het PV COV dat sprake is van 3680 stuks nitraten (lijst II) zijnde professioneel vuurwerk onvoldoende onderbouwd en dient verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.