Rechtbank Noord-Nederland, 05-01-2017 / 18-73039-16


ECLIECLI:NL:RBNNE:2017:37
Datum05-01-2017
InhoudsindicatieDe rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 19-jarige man veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar en een rijontzegging van 3 jaren voor een dodelijk ongeval bij Jirnsum op 13 april 2016. Verdachte heeft zich op 13 april 2016 als bestuurder met zijn personenauto op de Reinerswei bij Jirnsum zodanig gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is de macht over het stuur verloren en met zijn auto en daarin vier passagiers tegen een boom gebotst en in de naastgelegen sloot terecht gekomen. Door dit ongeval is een 14-jarig meisje om het leven gekomen en is aan drie andere personen (van 16 en 17 jaar) zwaar lichamelijk letsel dan wel zodanig lichamelijk letsel toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. Verdachte was ten tijde van het ongeval 18 jaar oud en had nog maar een kleine zes weken (sinds 3 maart 2016) een rijbewijs. Door genoemd verkeersgedrag is aan de nabestaanden van het slachtoffer en aan de andere slachtoffers en hun familie onherstelbaar leed toegebracht. De rechtbank rekent hem dit zeer zwaar aan. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden, de slachtoffers, de gezinsleden van de slachtoffers en de overige familieleden en vrienden, ongedaan kan maken. Uit een oogpunt van vergelding is voor dergelijke feiten iedere straf te licht. Maar vergelding kent in een rechtsstaat haar grenzen. Die grenzen worden medebepaald door andere omstandigheden waarmee de rechtbank rekening moet houden bij de bepaling van de hoogte van de straf. Zo spelen de persoonlijke omstandigheden van verdachte een rol. Anders dan het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat het feit dat verdachte zich na afloop van het verkeersongeval volgens de nabestaanden en de slachtoffers en hun familie onbehoorlijk heeft gedragen, niet strafverhogend mag werken. Verdachte had zich weliswaar anders kunnen gedragen, maar daarvan kan verdachte geen strafrechtelijk relevant verwijt worden gemaakt. Zeker nu dit gedrag volgens de reclassering verklaarbaar is door de beperkingen die hij onder meer op sociaal gebied kent en er kennelijk geen sprake is geweest van kwaad opzet. De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt echter rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstaf voor hem zullen hebben. De rechtbank zal daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zoals is gevorderd door de officier van justitie. De rechtbank is alles overziend van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf voor de maximale duur van 240 uren passend en geboden is. Daarnaast legt de rechtbank - gezien de ernst en gevolgen van het ongeval voor de slachtoffers en nabestaanden - een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van één jaar, met daaraan gekoppeld een meldplicht bij de reclassering en het volgen van een Cognitieve Vaardigheidstraining. Ook zal de rechtbank ter bescherming van de verkeersveiligheid verdachte een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opleggen van drie jaren. Het feit dat er meerdere slachtoffers met ernstig letsel waren, rechtvaardigt naar het oordeel een langere rijontzegging dan dat het uitgangspunt is volgens de oriëntatiepunten.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2015:3608 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2010:BN7727 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHARL:2017:7189
Gerelateerd ECLI:NL:GHARL:2017:7189