Rechtbank Rotterdam, 17-07-2015 / ROT 14-5167


ECLIECLI:NL:RBROT:2015:5152
Datum17-07-2015
InhoudsindicatieTussenuitspraak. Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering en oplegging boete. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiseres de stortingen op haar bankrekening, voor zover die voor het nemen van het toekenningsbesluit niet al bij verweerder bekend waren of hadden kunnen zijn, had moeten melden aan verweerder. Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het hier gaat om gegevens die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en door daarvan geen melding te maken heeft eiseres gehandeld in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze schending van de inlichtingenplicht echter geen grond voor intrekking van de totale bijstandsuitkering met ingang van de ingangsdatum en terugvordering van de vanaf die datum verstrekte uitkering. Niet elke maand hebben immers stortingen plaatsgevonden en niet alle stortingen zijn zodanig dat deze tot het oordeel leiden dat het recht op bijstand over de betreffende maand niet is vast te stellen. Ten aanzien van het lopen van modeshows heeft eiseres ter zitting erkend dat dit een in het economisch verkeer op geld waardeerbare activiteit is, wat, volgens vaste jurisprudentie, een omstandigheid is die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Dat eiseres het lopen van modeshows, alsmede eventuele andere op geld waardeerbare activiteiten, desondanks niet aan verweerder heeft gemeld kan haar echter niet worden tegengeworpen, nu in (de bijlage bij) het toekenningsbesluit dikgedrukt is vermeld dat eiseres, indien zij ondernemersactiviteiten heeft ondernomen, een objectief en verifieerbaar document dient in te leveren waaruit de hoogte van de verdiensten blijkt. Verweerder heeft hiermee de indruk gewekt dat eiseres alleen melding diende te maken van activiteiten waarvoor zij een beloning ontving en niet van activiteiten, hoewel op geld waardeerbaar, waarvoor zij, naar gesteld, geen beloning heeft ontvangen. Verweerder is er dan ook ten onrechte van uitgegaan dat eiseres enkel door het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Nu verweerder niet heeft onderzocht voor welke activiteiten eiseres daadwerkelijk een beloning heeft ontvangen, had hij ook om deze reden geen grond voor intrekking van de totale bijstandsuitkering met ingang van de ingangsdatum en terugvordering van de vanaf die datum verstrekte uitkering. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de artikelen 54, derde lid, en 58, eerste lid, van de Wwb tot stand is gekomen. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek te herstellen, door de herziening dan wel intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering opnieuw te onderzoeken en te motiveren, waarbij de rechtbank aanwijzingen geeft hoe verweerder dit zou kunnen doen.
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:1801 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:1807 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:1879 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:1880 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:797 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2015:6146