Rechtbank 's-Gravenhage, 11-03-2009 / 09-753938-07


ECLIECLI:NL:RBSGR:2009:BH6628
Datum11-03-2009
InhoudsindicatieOnder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Salduz heeft de raadsman van verdachte bepleit dat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat verdachte niet is gewezen op de mogelijkheid van bijstand van een advocaat voorafgaand aan dan wel tijdens de verhoren door de politie en bij geen van de verhoren een advocaat aanwezig is geweest. Dat klemt volgens de raadsman te meer nu alle verhoren hebben plaatsgevonden vˇˇr het moment van inverzekeringstelling. Volgens de huidige piketregeling wordt dan een advocaat ingeschakeld. In zijn betoog heeft de raadsman aansluiting gezocht bij de conclusie van AG Knigge bij Hoge Raad 17-02-2008 (LJN BH3079). Naar het oordeel van de politierechter berust het standpunt van de raadsman op een eenzijdige uitleg van de conclusie van de AG. Overgaan tot bewijsuitsluiting zoals door de raadsman beoogd, zou de door Knigge in overweging 6.9 gesignaleerde ernstige tekortkoming aan de belangen van wetshandhaving en aan de belangen van de slachtoffers tot gevolg hebben. Daarnaast lijkt de raadsman geen oog te hebben gehad voor hetgeen door de AG onder de overwegingen 10.5 en 10.6 naar voren wordt gebracht met betrekking tot het effect van de uitspraak in de zaak Salduz op lopende strafzaken. In lopende zaken is volgens de AG een casu´stische benadering aangewezen, waarbij van geval tot geval wordt nagegaan of het tekort aan rechtsbijstand impliceert dat van een vrijwillige afstand van het zwijgrecht niet kan worden gesproken. De door de AG voorgestane casu´stische benadering in lopende strafzaken leidt ertoe dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Zie ook LJ-nummer: BH6629 (ontnemingsvordering).
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2009:BH3079 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6629
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2009:BH6629