Rechtbank 's-Gravenhage, 01-09-2010 / AWB 09/6369 en 09/6381 IB/PVV


ECLIECLI:NL:RBSGR:2010:BN7698
Datum01-09-2010
InhoudsindicatieInkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 en 1997. Liquidatie-uitkering aan DGA belast in Nederland, zo ja, in welk jaar, en is sprake van een nieuw feit of kwade trouw? Vaststaat dat eiser in december 1996 een geldbedrag van fl. 1.565.000 van de BV heeft ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat eiser dit bedrag in een andere hoedanigheid dan die van aandeelhouder van de BV heeft ontvangen, dat er een terugbetalingsverplichting bestond of dat tegenover de betaling enige andere verplichting of schuld van eiser stond. Voorts werd de betaling grotendeels gedekt door de in de BV aanwezige winstreserves. Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank worden geoordeeld dat in 1996 een vermogensverschuiving van de BV naar eiser als aandeelhouder heeft plaatsgehad als gevolg waarvan aan het vermogen van de BV een geldbedrag, gedekt door de in de BV aanwezige winst, ten gunste van eiser als aandeelhouder is onttrokken. Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de winstuitdeling in 1996 is genoten. Verweerder maakt geen feiten en omstandigheden aannemelijk die tot het oordeel leiden dat de winstuitdeling in 1997 is genoten. Het hiervoor overwogene brengt mee dat de navorderingsaanslag voor 1996 alleen in stand kan blijven indien: a) verweerder ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor dat jaar niet bekend was, en redelijkerwijs ook niet bekend kon zijn, met het feit dat eiser in december 1996 een betaling van fl. 1.565.000 had ontvangen, of b) eiser ter zake van dat feit te kwader trouw was. Eiser heeft gemotiveerd betwist dat zich ťťn van deze situaties voordoet, zodat de bewijslast terzake op verweerder rust. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank een ambtelijk verzuim begaan door zonder raadpleging van de aangifte vennootschapsbelasting 1996 van de BV eisers definitieve aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1996 voor de (periode van de) buitenlandse belastingplicht vast te stellen. De slotsom is dat verweerder redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de betaling van fl. 1.565.000, zodat te dien aanzien geen sprake is van een nieuw feit. De door eiser gestelde verhuizing van hemzelf en de BV in (medio) 1996 naar BelgiŽ en de betaling in december 1996 berustten naar de rechtbank begrijpt op een advies van de toenmalige adviseur van eiser op grond waarvan, na verplaatsing van de woonplaats van eiser en de BV in de zin van het Verdrag naar BelgiŽ in 1996, in dat jaar een in Nederland onbelaste liquidatie-uitkering door de BV kon worden gedaan. Dit standpunt is, gezien onder meer de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2006, BNB 2007/36 tot en met 40, op zichzelf bezien juist en noopte niet tot vermelding van enige winstuitdeling in de aangifte C, welke kennelijk conform dat advies is opgesteld. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook slechts sprake zijn van kwade trouw: - hetzij indien eiser dan wel zijn gemachtigde wist of moet hebben geweten dat in strijd met het advies in werkelijkheid geen verhuizing naar BelgiŽ van eiser en de BV had plaatsgevonden, zodat in de aangifte C opzettelijk onjuist was vermeld dat eisers woonplaats was verlegd naar BelgiŽ en opzettelijk en ten onrechte geen melding was gemaakt van de liquidatie-uitkering, - hetzij indien eiser en zijn gemachtigde willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de aangifte C op dit punt onjuist was. Verweerder maakt tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser niet aannemelijk dat de woonplaats van eiser na medio 1996 in de zin van het Verdrag in Nederland is gebleven. Partijen gaan er voorts kennelijk beide vanuit dat voor de feitelijke vestigingsplaats van de BV moet worden aangesloten bij de woonplaats van eiser. Het hiervoor overwogene brengt dan mee dat verweerder evenmin aannemelijk maakt dat de BV na medio 1996 nog inwoner was van Nederland in de zin van het Verdrag. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de winstuitdeling in 1996 is genoten, dat verweerder voor dat jaar niet beschikt over een nieuw feit en dat eiser evenmin te kwader trouw was. Dit betekent dat de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor 1996 moet worden vernietigd.
TijdschriftartikelRechtbank 's-Gravenhage, 01-09-2010, AWB 09/6369 en 09/6381 IB/PVV (met noot)
A.A. Feenstra
NTFR 2010/2572
Navorderingsaanslag werd vernietigd wegens ontbreken nieuw feit en kwade trouw.
TijdschriftartikelRechtbank 's-Gravenhage, 01-09-2010, AWB 09/6369 en 09/6381 IB/PVV
V-N 2010/58.2
Liquidatie-uitkering blijft onbelast door ambtelijk verzuim inspecteur.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA2802 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1999:AA2930 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6971
Gerelateerd ECLI:NL:GHSGR:2011:BT6971