Rechtbank 's-Gravenhage, 01-11-2010 / Awb 08/28505


ECLIECLI:NL:RBSGR:2010:BO3807
Datum01-11-2010
InhoudsindicatieSchadevergoeding. Bevoegdheid rechtbank. Aan rechter voorgelegd. Redelijke termijn. De rechtbank acht zich bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Er is zowel sprake van zogenoemde processuele als materiŽle connexiteit. Dat over schade veroorzaakt doordat een procedure niet binnen een redelijke termijn is beslecht, een zuiver schadebesluit kan worden uitgelokt, waartegen bezwaar en beroep openstaat, blijkt ook uit de uitspraak van de CRvB van 29 oktober 2009 (LJN: BK3342) en de uitspraak van de AbRS van 24 juni 2009 (LJN: BI9696). De rechtbank stelt vast dat het geschil waarin de door eiser gestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aan de rechter is voorgelegd. Dit beroep is ingetrokken, nadat het geschil door toekenning aan eiser van een verblijfsvergunning was geŽindigd. Weliswaar heeft dat beroep niet geleid tot een uitspraak van de rechtbank, maar de rechtbank vermag niet in te zien waarom dit een beletsel zou zijn voor een beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, of toekenning van immateriŽle schadevergoeding op grond van het aan artikel 6 EVRM ontleende rechtsbeginsel van rechtszekerheid is aangewezen. In de uitspraken van de CRvB van 28 april 2009 (LJN: B12748) en van de AbRS van 17 juni 2009 (LJN: BI8475) is immers enkel als voorwaarde gesteld dat het geschil aan de rechter moet zijn voorgelegd, zonder dat daaraan de eis is toegevoegd dat dit ook tot een (eind)uitspraak moet hebben geleid. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de door eiser gevolgde reguliere procedure op grond van TBV 1999/22 voor de berekening van de termijnen moet worden gekoppeld aan de door hem gevolgde asielprocedure, zodat beide procedures als ťťn procedure worden beschouwd. Uit de jurisprudentie van de CRvB en de ABRS blijkt immers dat per procedure afzonderlijk dient te worden beoordeeld of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn (CRvB van 29 oktober 2009, LJN: BK3342). Voor zover eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van geleden immateriŽle schade ten gevolge van anderszins onrechtmatig handelen door verweerder in de procedure leidend tot de verlening van meergenoemde verblijfsvergunning, wordt deze stelling niet gevolgd. Uitgezonderd immateriŽle schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor bedoeld, is daarvoor alleen plaats in de in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek beschreven situaties. Zoals verweerder terecht in het bestreden besluit heeft overwogen, is niet gebleken dat het beweerdelijk onrechtmatig handelen heeft geleid tot het schaden van de eer of de goede naam van eiser of anderszins een aantasting van de persoon van eiser. Ook van de overige in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek opgesomde gevallen is niet gebleken.
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2008:BG8294 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2009:BI8475 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2009:BK3342 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2009:BI9696 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ1030 ★★