Rechtbank 's-Gravenhage, 31-08-2011 / AWB 10/2713 IW


ECLIECLI:NL:RBSGR:2011:BU4398
Datum31-08-2011
InhoudsindicatieInvorderingswet. Inlenersaansprakelijkheid. Bij de onderhavige beschikking is eiser als inlener aansprakelijk gesteld voor aan de uitlener opgelegde en onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting en omzetbelasting. Eiser stelt dat de aansprakelijkstelling prematuur is omdat de uitlener bij het geven van de beschikking nog niet in gebreke was. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslagen zijn bekendgemaakt aan de vereffenaar van de uitlener, maar oordeelt bovendien dat de uitlener bij het geven van de beschikking al was opgehouden te bestaan en dat eiser het bestaan van een aan de uitlener toekomende bate, die aanleiding zou zijn de vereffening van de uitlener te heropenen, niet aannemelijk heeft gemaakt. Onder die omstandigheden kan aan verweerder niet worden tegengeworpen dat de aanslag niet is bekend is gemaakt aan de uitlener zelf. Eiser stelt dat de naheffingsaanslagen niet aan de juiste (rechts)persoon zijn opgelegd omdat de uitlener is opgericht om fraude te plegen en daarom moet worden vereenzelvigd met een andere (rechts)persoon of personenvennootschap. De rechtbank oordeelt dat van een dergelijke vereenzelviging slechts onder zeer bijzondere omstandigheden sprake kan zijn en niet aannemelijk is geworden dat die omstandigheden zich hebben voorgedaan. De rechtbank is het met eiser eens dat omkering van de bewijslast niet aan eiser kan worden tegengeworpen, maar is van oordeel dat verweerder de juistheid van de naheffingsaanslagen, ook zonder omkering van de bewijslast, voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De opvatting van eiser dat hij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de loonbelasting die het gevolg is van zogenoemde directe brutering, vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht. Verder oordeelt de rechtbank dat artikel 34 van de Invorderingswet niet in strijd is met het Europese recht, dat verweerder alle stukken heeft overgelegd, voldoende voortvarend te werk is gegaan, voldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop betalingen en uitwinningen op de naheffingsaanslagen zijn afgeboekt en verweerder het bedrag waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld op de juiste wijze heeft gematigd. De rechtbank oordeelt dat eiser geen beroep kan doen op vertrouwen dat bij de uitlener zou zijn gewekt en waarop de uitlener zelf geen beroep heeft gedaan. Eisers beroep op het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel wijst de rechtbank eveneens af.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2007:BA2802 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2011:BP2975 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:1999:AA2806 ★★