Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14-07-2017 / AWB - 16 _ 7763


ECLIECLI:NL:RBZWB:2017:4219
Datum14-07-2017
InhoudsindicatieNaheffingsaanslag accijns - verzending van accijnsgoederen onder schorsing van accijns vanuit AGP - artikel 2b en 2c van de Wet op de accijns - artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden, hetzij omdat de stukken om overlegging waarvan belanghebbende heeft verzocht niet bestaan, hetzij omdat die stukken niet van belang kunnen zijn (geweest) voor de besluitvorming in haar zaak, hetzij omdat belanghebbende niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Aangezien tussen de naheffingsaanslag en het FIOD-onderzoek geen direct verband bestaat, ziet de rechtbank geen reden voor aanhouding in verband met dat FIOD-onderzoek. Geen schending van het zorgvuldigheids- en verdedigingsbeginsel aangezien belanghebbende in de bezwaarfase voldoende tijd heeft gehad om het in artikel 2c, vierde lid van de Wet op de accijns genoemde bewijs te leveren. Gelet op de e-ADs en de antwoorden van de Duitse en Roemeense douaneautoriteiten op de verzoeken om wederzijdse bijstand heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de accijnsgoederen niet op hun bestemmingen zijn aangekomen. Dit betekent dat sprake is van een onregelmatigheid die op grond van artikel 2c, derde lid, van de Wet op de accijns geacht wordt te hebben plaatsgevonden in Nederland, tenzij belanghebbende tegenbewijs levert. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dit bewijs niet geleverd.
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2005:AO9006 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:HR:2013:56 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:GHSHE:2019:2458