Raad van State, 07-03-2012 / 201108763/1/V2


ECLIECLI:NL:RVS:2012:BV8619
Datum07-03-2012
InhoudsindicatieUit de overwegingen van het Hof in het arrest Dereci, waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, is af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie , en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw 2000. Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven. In het geval het gezin bestaat uit één ouder die burger is van een derde land en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, komt, zo leidt de Afdeling af uit het hiervoor onder 2.5.2. genoemde punt 65 van het arrest Dereci en de verwijzing daarin naar de punten 43 en 44 van het arrest Ruiz Zambrano, bij de beantwoording van vorenbedoelde vraag betekenis toe aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - zorg en opvoeding geboden. Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen, als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Van de situatie dat een burger van de Unie niettemin zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, zal in dergelijke gevallen dan ook slechts sprake zijn, indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen gebruik maakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is. In dat geval zal het kind immers gedwongen zijn de ouder die burger van een derde land is, te volgen naar buiten het grondgebied van de Unie. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst. Niet in geschil is dat het kind van de vreemdeling en zijn echtgenote de status van burger van de Unie bezitten, zodat zij zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen. Dat zij daarnaast ook een andere nationaliteit hebben, doet niet af aan de rechten die zij, als burgers van de Unie, ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. De vreemdeling betoogt dat zijn kind feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten, omdat hij degene is die de zorg voor het kind moet dragen, omdat zijn echtgenote daartoe zonder hem niet in staat is. De vreemdeling heeft echter, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij de echtgenote zonder de vreemdeling in wezen onmogelijk is en het kind de vreemdeling zal moeten volgen. Ook uit de door de vreemdeling in beroep bij de rechtbank overgelegde stukken blijkt niet dat de echtgenote die zorg niet kan dragen. Die stukken hebben immers betrekking op het arbeidsvermogen van de echtgenote in relatie tot haar psychische klachten. Zij gaan niet over de vraag of zij, al dan niet met hulp van derden, de zorg voor het kind kan dragen. Anders dan de vreemdeling voorts betoogt, en gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.4. is overwogen, heeft de rechtbank in verband met de vraag of de echtgenote de zorg voor het kind kan dragen, terecht betekenis toegekend aan het gegeven dat zijn echtgenote hulp en ondersteuning kan krijgen van maatschappelijke instellingen zoals thuiszorgorganisaties of Bureau Jeugdzorg. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze hulp en ondersteuning bij vertrek van de vreemdeling niet zal kunnen krijgen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het kind niet feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten, doordat de minister aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend. Het kind wordt dan ook niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.
TijdschriftartikelRaad van State, 07-03-2012, 201108763/1/V2
NJB 2012, 846
Burger van de Unie. Verblijfsrechten van buitenlandse ouders van Nederlandse kinderen. Het Nederlandse kind kan door de Nederlandse ouder in Nederland worden verzorgd.
TijdschriftartikelRaad van State, 07-03-2012, 201108763/1/V2
AB 2012/155
Unieburger, recht op het grondgebied van de Unie te verblijven, belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten, bewijslast, gelijkheidsbeginsel, afzien van horen.
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1625
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2015:822 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2011:BR1625
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2018:8036
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2016:3079
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2015:16050
Gerelateerd ECLI:NL:GHAMS:2015:4476
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2014:12234
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2014:1240
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6545
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7100
Gerelateerd ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3369