Raad van State, 21-11-2012 / 200901754/1/V6


ECLIECLI:NL:RVS:2012:BY3698
Datum21-11-2012
InhoudsindicatieBoete van 192.000,00 wegens overtreding van art. 2, eerste lid, van de Wav. In het besluit van 27 oktober 2011 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, gezien het arrest Vicoplus, het eerder door hem ingenomen standpunt dat zich een situatie voordoet van grensoverschrijdende dienstverrichting die louter bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten niet langer standhoudt.De minister voert aan dat de intrekking van het besluit (op bezwaar) van 10 januari 2008 en de herroeping van het besluit (in primo) van 3 augustus 2007 geen erkenning van de onrechtmatigheid van de boete inhouden. Ter toelichting heeft de minister op de zitting naar voren gebracht dat het arrest Vicoplus is gewezen na de boeteoplegging, zodat bij de boetebesluiten daarmee geen rekening kon worden gehouden. Nu de intrekking van het besluit van 10 januari 2008 en de herroeping van het besluit van 3 augustus 2007 geen erkenning van de onrechtmatigheid van de boete inhouden, heeft appellante, gelet op de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de haar opgelegde boete, ondanks die intrekking en herroeping nog steeds belang bij een beoordeling van de juistheid van het oordeel van de rb. omtrent de rechtmatigheid van het besluit van 10 januari 2008. Uit vaste jurisprudentie van het Hof (arrest van 13 april 2010 in zaak nr. C-73/08 Bressol LJN: BM1485) volgt dat, ingeval het aan een voorschrift van het Unierecht uitlegging geeft, de rechter het aldus uitgelegde voorschrift ook kan en moet toepassen op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen. Het betoog van de minister dat het arrest Vicoplus niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van het besluit van 10 januari 2008 omdat het van na dat besluit dateert, faalt derhalve. In dit geval is niet aan alle drie door het Hof in het arrest Vicoplus geformuleerde criteria voldaan. De boete is daarmee onrechtmatig. Het hoger beroep is gegrond. Nu sprake is van een van rechtswege ontstaan beroep tegen het besluit van 27 oktober 2011, als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, en de niet-erkenning van de onrechtmatigheid van het ingetrokken besluit reeds maakt dat met het besluit van 27 oktober 2011 niet geheel aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen, heeft appellante bij dit beroep belang, als bedoeld in het derde lid van dit artikel. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2011 gegrond. De Afdeling vernietigt dit besluit, voor zover de minister daarin erkenning van de onrechtmatigheid van de boete achterwege heeft gelaten. Appellante heeft de Afdeling verzocht haar met toepassing van artikel 8:73 van de Awb een schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft appellante vier schadeposten ingebracht. Naar het oordeel van de Afdeling komen deze schadeposten niet voor honorering in aanmerking. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding in zoverre af. Om de hierna aangegeven redenen bestaat in dit geval aanleiding om, bij wijze van uitzondering, ambtshalve nog nader te onderzoeken of termen aanwezig zijn voor toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in art. 6 van het EVRM. Appellante heeft aan de boetekennisgeving van 31 mei 2007 in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat aan haar een boete zou worden opgelegd. Het afwachten van het arrest Vicoplus was redelijk in verband met de beoordeling van het weergegeven betoog. Na aftrek van de daarmee gemoeide tijd was de situatie bij het sluiten van het onderzoek op de zitting van 29 mei 2012 zo dat er op dat moment geen overschrijding van de redelijke termijn was. Zodanige overschrijding was toen, uitgaande van de in art. 8:66 van de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, evenmin te voorzien, zodat er voor appellante ook geen reden was daarover te klagen. De beslechting van het geschil in hoger beroep is geëindigd met de uitspraak van heden, zodat de procedure in totaal ruim vier jaar en drie maanden heeft geduurd. Daarmee is de redelijke termijn, nu zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat de vertraging is veroorzaakt door appellante en aan haar moet worden toegerekend, met ruim drie maanden overschreden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden is overschreden, wordt de boete verminderd met 5% met een maximum van 2.500,00. Derhalve dient aan appellante ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn het maximale bedrag van 2.500,00 te worden toegekend ten laste van de minister.
TijdschriftartikelRaad van State, 21-11-2012, 200901754/1/V6
ABKort 2012/380
Ambtshalve toetsing, schadevergoeding, overschrijding redelijke termijn, hoger beroep.
Gerelateerd ECLI:NL:RBARN:2009:BI0558
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2013:1586
Gerelateerd ECLI:NL:RBARN:2009:BI0558
Gerelateerd ECLI:NL:RBLIM:2018:3438
Gerelateerd ECLI:NL:RBNHO:2015:4659