Raad van State, 27-12-2012 / 201204143/1/A1


ECLIECLI:NL:RVS:2012:BY7324
Datum27-12-2012
InhoudsindicatieVerlenen omgevingsvergunning voor het oprichten van een winkel. Voor het project is ingevolge art. 6.5, eerste lid, van het Bor een verklaring van geen bedenkingen van de raad vereist. De raad heeft in dit geval volstaan met het ter inzage leggen van een blanco ontwerp-verklaring van geen bedenkingen. De rb. heeft daarin terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college geen gebruik mocht maken van de op 21 september 2011 door de raad afgegeven verklaring van geen bedenkingen. Hierbij is in aanmerking genomen dat gelijktijdig met de blanco ontwerp-verklaring de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen. Uit deze ontwerp-omgevingsvergunning kon appellant afleiden dat met de blanco ontwerp-verklaring tot uitdrukking is gebracht dat de raad vooralsnog kon instemmen met het in de ontwerp-omgevingsvergunning omschreven project. Tegen de ontwerp-omgevingsvergunning heeft appellant zienswijzen ingediend. Van deze zienswijzen, die gelet op het voorgaande evenzeer van belang waren voor de vereiste verklaring van geen bedenkingen, was de raad bij de afgifte van die verklaring op de hoogte. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 02-06-2010, 200808749/1 (Red: lees waarschijnlijk: uitspraak van 02-06-2010, 200908749/1/H1, LJN: BM6473) moet een college van burgemeester en wethouders besluiten over het bouwplan, zoals dat bij hem is ingediend. Indien het op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De Wabo geeft geen aanleiding om daar ten aanzien van een omgevingsvergunning die met toepassing van art. 2.12 van de Wabo wordt verleend, anders over te oordelen. De rb. heeft terecht overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat concrete alternatieven bestaan waarmee een gelijkwaardig of beter resultaat kan worden bereikt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29-04-2009, 200806326/1/H1, LJN: BI2655) kan de te verwachten schade als gevolg van de uitvoering van het bouwplan in de belangenafweging in het kader van vrijstellingverlening slechts een rol spelen voor zover op voorhand vaststaat dat de uitvoering van bouwwerkzaamheden onvermijdelijk leidt tot schade aan de omgeving. De Wabo geeft geen aanleiding om daar ten aanzien van een omgevingsvergunning die met toepassing van art. 2.12 van de Wabo wordt verleend, anders over te oordelen. De rb. heeft in hetgeen appellant betoogt terecht geen grond gezien voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat de uitvoering van de bouwwerkzaamheden onvermijdelijk tot zodanige schade zou leiden dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend.
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2009:BI2655
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2010:BM6473
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2017:1015 ★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2016:2041
Gerelateerd ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ1870
Gerelateerd ECLI:NL:RBOBR:2013:2855
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2017:719
Gerelateerd ECLI:NL:RBGEL:2015:2805
Gerelateerd ECLI:NL:RBNHO:2019:7792
Gerelateerd ECLI:NL:RBLIM:2019:6070
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2017:43
Gerelateerd ECLI:NL:RBOBR:2017:4011
Gerelateerd ECLI:NL:RBOBR:2017:3537
Gerelateerd ECLI:NL:RBMNE:2017:3205
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2017:13331
Gerelateerd ECLI:NL:RBAMS:2017:7644
Gerelateerd ECLI:NL:RBOBR:2016:411
Gerelateerd ECLI:NL:RBNNE:2016:2850
Gerelateerd ECLI:NL:RBDHA:2016:1444
Gerelateerd ECLI:NL:RBOVE:2015:3172
Gerelateerd ECLI:NL:RBOVE:2015:2230
Gerelateerd ECLI:NL:RBONE:2013:2587