Centrale Raad van Beroep, 16-07-2015 / 14-2927 AW


ECLIECLI:NL:CRVB:2015:2369
Datum16-07-2015
InhoudsindicatieDe Raad volgt de rechtbank in het onder 2 vermelde oordeel. De aan appellant verweten gedragingen zijn door hem erkend en met name de feiten waarvoor hij (inmiddels onherroepelijk) is veroordeeld, zijn van zodanige ernst dat, zeker gezien de functie van appellant, sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim. Dat appellant als voorzitter deel uitmaakte van een bestuur dat mede verantwoordelijk was voor dit handelen doet aan de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor deze gedragingen niet af. Dat ten aanzien van besturen van andere scholen blijkbaar een ander vervolgingsbeleid is toegepast kan evenmin tot een ander oordeel leiden. Hier komt nog bij het niet integer handelen van appellant door zijn nevenwerkzaamheden en zijn betrokkenheid bij een strafproces niet te melden. De minister heeft terecht gesteld dat door al deze gedragingen geen vertrouwen meer in appellant aanwezig is, terwijl een onvoorwaardelijk vertrouwen onmisbaar is, gezien de aard van de functie. Een penitentiair inrichtingswerker die zelf is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf verliest zijn geloofwaardigheid ten opzichte van gedetineerden en kan daardoor een onaanvaardbaar veiligheidsrisico vormen. De minister was dan ook bevoegd om appellant disciplinair te straffen.