Centrale Raad van Beroep, 06-02-2015 / 12-1060 WIA-T


ECLIECLI:NL:CRVB:2015:430
Datum06-02-2015
InhoudsindicatieOp 10 maart 2010 heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet WIA ingediend. Bij onderzoek door een verzekeringsarts is vastgesteld dat sprake lijkt van een depressie/angststoornis, geluxeerd door een hepatitis B infectie. Op verzoek van het Uwv is appellant onderzocht door de psychiater R.L. Leta. Leta vindt geen aanwijzingen voor een harde cognitieve stoornis, wel sprake van borderlinetrekken en cannabisafhankelijkheid. De aanvraag van een WIA-uitkering wordt afgewezen op de grond dat appellant per datum einde wachttijd, 2 juni 2010, minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft de grond met betrekking tot het niet horen gegrond geoordeeld, maar de gronden voor het overige verworpen. De Raad heeft een psychiater als deskundige geraadpleegd. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van de door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwoorde bezwaren geven onvoldoende aanleiding de in het rapport neergelegde zienswijze van de deskundigen niet te volgen. Die bezwaren betreffen overigens niet zozeer de inhoud van het deskundigenrapport als wel de vraag of het rapport ziet op de datum in geding. De belastbaarheid van appellant dient dan ook te worden vastgesteld uitgaande van de medische bevindingen van de door de Raad ingeschakelde deskundigen. Hieruit volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet rust op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Daarmee ontbeert het bestreden besluit tevens een deugdelijke motivering. Het geconstateerde gebrek leent zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. Met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdracht aan het Uwv het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van.
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2017:2662