Centrale Raad van Beroep, 26-02-2015 / 12-1256 AW


ECLIECLI:NL:CRVB:2015:563
Datum26-02-2015
InhoudsindicatieDe minister kan niet staande houden dat uit de rapporten volgt dat de ongeschiktheid voor de functie niet aan ziekte of gebrek is toe te schrijven. (De pyschiater) maakt duidelijk dat betrokkene ten tijde hier van belang leed aan een intermitterende depressieve stoornis met daartussen een dysthyme stoornis, als gevolg waarvan in ernstige mate sprake was van somberheid, concentratieproblemen, vergeetachtigheid, paniekgevoelens, een laag zelfbeeld, vermoeidheidsklachten, slecht slapen, anhedonie en ernstig gewichtsverlies. Aldus zijn er voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat betrokkene te kampen had met een psychische aandoening waaruit het bij hem geconstateerde integriteitsgebrek in overwegende mate kan worden verklaard. Dat (de psychiater) de opstelling van betrokkene bij de overplaatsing heeft betiteld als normaal gedrag bij een sollicitatie, maakt dit niet anders. Ook van deze gedraging moet de onjuistheid worden aangenomen, maar is aannemelijk dat zij moet worden toegeschreven aan desinteresse en gebrek aan oordeelsvermogen, zoals door (de psychiater) beschreven. Het vorenstaande betekent dat bij betrokkene weliswaar sprake is (geweest) van ongeschiktheid, maar niet van ongeschiktheid anders dan wegens ziels of lichaamsgebreken in de zin van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR. De minister was dus niet bevoegd om betrokkene op deze grond te ontslaan. Ook het nieuwe besluit van 11 juli 2014 kan om die reden niet in stand blijven. Er zal een nadere bepaling van de rechtsverhouding tussen partijen moeten plaatsvinden op basis van onderling overleg en/of nadere besluitvorming door de minister. Overschrijding redelijke termijn voor rekening van de minister.
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2009:BI2044 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2014:2978 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2014:2799 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CRVB:2013:2007