Rechtbank Midden-Nederland, 05-12-2017 / UTR 17/2966


ECLIECLI:NL:RBMNE:2017:6056
Datum05-12-2017
InhoudsindicatieBoete, inburgeringstermijn, inburgeringsplicht, matiging, Wetsartikelen: artikel 34 Wet inburgering, artikel 5:46 Algemene wet bestuursrecht Samenvatting: Eiseres heeft niet tijdig voldaan aan de inburgeringsplicht. De rechtbank ziet in dat wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder de inburgeringstermijn had moeten verlengen. Verweerder heeft de maximale boete opgelegd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder bij het bepalen van de hoogte van de boete heeft gekeken naar de ernst van de gedraging van eiseres, de mate van verwijtbaarheid en eventuele andere omstandigheden die in dit geval tot matiging moeten leiden. Verweerder heeft immers slechts de ratio van de inburgeringstermijn benoemd, maar geen acht geslagen op de omstandigheid dat eiseres alle examens heeft gehaald en daarmee inspanningen heeft verricht om in te burgeren. De rechtbank is gelet op alle omstandigheden van oordeel dat de hoogte van de boete niet evenredig is. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en aan eiseres een boete op te leggen van 625,-, 50% van de oorspronkelijke boete.
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2012:BV8810 ★★★