Rechtbank Rotterdam, 03-07-2015 / C/10/420456 + C/10/427850


ECLIECLI:NL:RBROT:2015:5118
Datum03-07-2015
InhoudsindicatieTussen partijen is in geschil op welke wijze de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld dienen te worden. In de akte huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen partijen geen vermogensrechtelijke gemeenschap bestaat en is een periodiek verrekenbeding opgenomen. Partijen hebben een woning in gemeenschappelijke eigendom, alsmede zijn een aantal vermogensbestanddelen en goederen gemeenschappelijk. De vrouw heeft recht op vergoeding van de door haar geďnvesteerde uit schenking afkomstige bedragen. In de (tussen)beschikking is beslist dat er tussen partijen gedurende het huwelijk geen verrekening van overgespaarde inkomsten heeft plaatsgevonden, zodat artikel 1:141 lid 3 BW van toepassing is. Er is voldoende aanleiding om aan te nemen dat het totale vermogen dat partijen gezamenlijk op de peildatum hadden voor een aanzienlijk deel afkomstig is uit schenkingen van de ouders aan de vrouw en dus afkomstig van het privévermogen van de vrouw. Het feit dat de vrouw niet kan aantonen welk deel precies afkomstig is uit schenkingen vindt zijn oorzaak in de wijze waarop de man tijdens het huwelijk de financiën van partijen heeft beheerd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voor wat betreft het privévermogen van de vrouw de eisen van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW. Het ligt dus op de weg van de man om voldoende onderbouwd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat het privévermogen van de vrouw afkomstig is uit hetgeen verrekend had moeten worden. De man heeft niet aan deze stelplicht voldaan en evenmin op dit punt een bewijsaanbod gedaan. Hieruit volgt dat het vermogen op naam van de vrouw niet verrekend behoeft te worden. Tussen partijen is niet in geschil dat het vermogen van de man verrekend dient te worden.