Rechtbank Rotterdam, 10-09-2015 / ROT 15/3079 en ROT 15/5216


ECLIECLI:NL:RBROT:2015:6445
Datum10-09-2015
InhoudsindicatieACM heeft een last onder dwangsom opgelegd aan PostNL wegens overtreding van artikel 9 Postwet 2009. Niet in geschil is dat stapelaars als VSP en IP, anders dan zakelijke afnemers, zullen worden geconfronteerd met de toeslag afwijkende vormgeving en de dienst Diverse Afzenderadressen (DivA), omdat zij poststukken aanleveren waarop verschillende afzendadressen zijn aangebracht. PostNL betoogt echter dat postvervoerbedrijven en afzenders niet in een vergelijkbare positie verkeren, zodat reeds om die reden geen sprake is van overtreding van het discriminatieverbod. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, mede gelet op dit citaat waarin wordt gesproken van vergelijkbare omvang en bewerkelijkheid, voor de vraag, of sprake is vergelijkbare gevallen, vooral van belang of door postvervoerbedrijven als VSP en IP bij PostNL aangeboden partijen post, die van een vergelijkbare omvang zijn als partijen post van niet-postvervoerders, extra werkzaamheden voor PostNL met zich meebrengen. PostNL kan zich niet met succes op de uitspraak in de bpost-zaak kan beroepen voor wat betreft het criterium vergelijkbare omvang. Op zichzelf is het bij analoge toepassing van deze rechtspraak, die ziet op universele dienstverlening, mogelijk dat ACM een per sender-model hanteert waarbij zij jaarvolumekortingen aanbiedt aan afzonderlijke afzenders, ten einde een groter postvolume te creëren. In dit geval gaat het echter om dagvolumekortingen. Die lijken veeleer te zijn ingegeven uit een oogpunt van operationele kosten, dan te zijn gericht op het creëren van een groter volume (op jaarbasis). Op grond van de verslagen en filmopname is bij de voorzieningenrechter de indruk ontstaan dat VSP partijen post niet altijd op de door PostNL voorgeschreven wijze aanbiedt namelijk door afwijkende formaten en gewichten in de rode of blauwe bakken aan te leveren en niet alle post via de daarvoor bestemde bakken aan te leveren en dat in die gevallen door medewerkers van het sorteercentrum extra werkzaamheden moeten worden verricht. In die gevallen waarin de wijze van aanbieding door VSP op afwijkende wijze plaats heeft kan zij in redelijkheid geen aanspraak maken op kortingen voor partijenpost. PostNL legt evenwel door middel van haar Voorwaarden vormgeven van poststukken en DivA toeslagen op aan postvervoerders omdat zij kortgezegd meerdere afzenderadressen en geen uniforme afzenderadressen vermelden op door hen aangeleverde poststukken. Uit de stukken en het beeldmateriaal valt echter niet op te maken dat juist ten aanzien van de adressering sprake is van een extra inspanning door PostNL. Voor zover de vermelding van meerdere afzendadressen bij retourzendingen meerwerk met zich brengen hebben VSP en IP voorgerekend dat het gaat om een zeer klein aantal gevallen die in elk geval niet een verhoging van 0,10 per poststuk rechtvaardigen. Gelet op een en ander is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken van een voldoende rechtvaardiging voor het door PostNL gemaakte onderscheid aan de hand van de toeslag van 0,10 per poststuk bij vermelding van meerdere afzendadressen en de dienst DivA, die een opslag van 15% betekent ten opzichte van verzamelingen poststukken waarop slechts één afzender is vermeld. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat PostNL artikel 9, eerste lid, van de Postwet 2009 heeft overtreden met deze twee tariefwijzigingen per 2015.
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2010:BO3468 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:697 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2014:7 ★★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RVS:2015:699 ★★★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2015:4520 ★★
Gerelateerd ECLI:EU:C:2008:141 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:CBB:2006:AY3826 ★★
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2018:374
Gerelateerd ECLI:NL:RBROT:2015:9022