College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-04-2017 / 15/308


ECLI:NL:CBB:2017:126

Inhoudsindicatie
Boete. Overtreding art. 8A.13
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Uitspraakdatum
2017-04-14
Publicatiedatum
2017-05-08
Zaaknummer
15/308
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
Uitspraak

uitspraak


COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/308

11351


uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2017 op het hoger beroep van: [naam] , te [plaats] , appellant (gemachtigde: mr. J.T.F. van Berkel),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2015, kenmerk ROT 14/3024, in het geding tussen


appellant


en de staatssecretaris van Economische Zaken, (de staatssecretaris)

(gemachtigde: mr. H.D. Strookman).



Procesverloop in hoger beroep


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 10 maart 2015 (ECLI:NL:RBROT:2015:1690).


De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.


Grondslag van het geschil


1.1

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende.


1.2

Naar aanleiding van een melding Nationaal Plan, ontvangen op 20 juni 2013, hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 17 juli 2013 een inspectie uitgevoerd in het bedrijf van appellant. De melding betrof een zeug met oormerknummer 1758368 en slachtnummer 44754, afkomstig van het bedrijf van appellant, dat op 5 februari 2013 ter slacht is aangeboden in Duitsland en in onderzoek is genomen in het kader van het Duitse Nationaal Plan residuen dierbehandelingsmiddelen (Nationaler Rückstandskontrollplan). In de nier van dit varken is de stof ampicilline aangetroffen in een hoeveelheid die de vastgestelde maximum residulimiet van 50 µg/kg overschreed. Bij de inspectie op het bedrijf zijn meerdere onaangebroken en aangebroken flacons Albipen LA en Ampicillin 20% pro inj aangetroffen. Uit de door de houder getoonde administratie bleek dat voor de betreffende positief bevonden zeug, over de periode van de laatste keer biggen tot aan de afvoer van de zeug, geen behandelingen met diergeneesmiddelen waren genoteerd. De inspectie is vastgelegd in een boeterapport van 30 juli 2013.


1.3

De staatssecretaris heeft appellant bij besluit van 20 september 2013 (het primaire besluit) een boete opgelegd ter hoogte van € 2.500,- wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, sub f, van de Wet dieren in verbinding met artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen en artikel 23 van Verordening 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 470/2009).


1.4

Bij besluit van 25 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.


Uitspraak van de rechtbank


2.1

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘verweerder’ ‘de staatssecretaris’ moet worden gelezen en voor ‘eiser’ ‘appellant’:


“4. De beroepsgrond dat de gedraging niet te herleiden is tot eiser, faalt.

Uit het Prüfbericht van de Landrat des Kreises Gütersloh Abteilung Veterinärwesen und Lebesmittelüberwachung van 8 februari 2013 blijkt dat op 5 februari 2013 een monster is afgenomen van het varken met Tierkennzeichenung [nummer] en slachtnummer 44754. Blijkens het bericht van aanlevering door [naam bedrijf] Varkenshandel zijn op 5 februari 2013 twee varkens afkomstig van eiser aangeleverd, herleidbaar door eisers bedrijfsidentificatienummer [nummer], aan [naam slachtplaats] GmbH te [plaats] (Duitsland). Op de overdrachts- en aanleverbonnen is eisers volledige bedrijfsidentificatienummer weergegeven. Op het rapport Meldebogen “Positiver Rückstandbefund” van 6 maart 2013 is zowel het dierkenmerk [nummer] als het slachtnummer 44754 weergegeven. Ter zitting heeft Schroeder desgevraagd de Duitse werkwijze toegelicht, die erop neerkomt dat de laatste vijf cijfers van het bedrijfsidentificatienummer als kenmerk aan het slachtvarken worden toegekend en niet het volledige nummer. Dit maakt niet dat het varken niet herleidbaar is tot eiser, nu met de afleververklaring de koppeling naar eisers bedrijfsidentificatienummer te maken is. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat het onderzochte dier afkomstig is van eiser.


5. De beroepsgrond dat een wettelijke grondslag ontbreekt aan verweerders bevoegdheid in dit geval een boete op te leggen, faalt. Het bestreden besluit verwijst eerst naar de algemene norm van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet Dieren en daarna naar de specifieke norm van artikel 2.7, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wet Dieren, gelezen in samenhang met artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen. De verweten gedraging is dan ook gebaseerd op artikel 2.7, eerste lid, van de Wet Dieren. Het tweede lid van dit artikel stelt dat voor het onderwerp bedoeld in het eerste lid regels gesteld kunnen worden die betrekking hebben op (onder f) degene die de dieren in de handel brengt, verkoopt, voor de verkoop op voorraad heeft, voor de verkoop aanbiedt, koopt, verhuurt of aflevert. De koppeling naar het Besluit diergeneesmiddelen bevindt zich derhalve in de tekst van het tweede lid van artikel 2.7 van de Wet Dieren, nu dat verwijst naar het eerste lid.

6. De beroepsgrond dat het monster onbevoegd is afgenomen, faalt.

Nu eiser zijn varken ter slacht heeft aangeboden in Duitsland, heeft eiser gebruik gemaakt van de interne markt. Gelet op de werking van de interne markt houdt de bevoegdheid voor het verrichten van controles en het houden van toezicht niet op bij het bereiken van de Nederlandse landsgrenzen. Dat zou immers het nuttig effect aan de interne markt ontnemen. Door toepasselijkheid van richtlijn 2001/52 en de verordening 470/2009 en 2309/93 zijn (ook) bevoegd de ambtenaren aangewezen in de ontvangende dan wel dienstverrichtende lidstaat. Nu de Duitse ambtenaar heeft gehandeld conform voornoemde verordeningen en de melding via het Nationaal Plan is overgedragen aan Nederland en daarbij eiser geen concrete redenen voor twijfel aan de juistheid van het bericht van de Duitse ambtenaar heeft geformuleerd, heeft verweerder van de juistheid van dit bericht kunnen uitgaan.


7. De beroepsgrond dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld een contra-expertise in te dienen, faalt.

Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht bevat geen verplichting de gelegenheid te bieden een contra-expertise in te brengen. Dit behoort tot de invloedsfeer van eiser. Niet is gebleken dat eiser om het monster heeft verzocht teneinde een contra-expertise te laten verrichten dan wel dat hem dit geweigerd is. De enkele verwijzing naar de zienswijze van eiser van 26 augustus 2013 - waarin is gesteld dat eiser geen gelegenheid heeft gehad om te verzoeken om een tegenonderzoek en op dat moment niets meer kon ondernemen door het tijdsverloop - is daartoe onvoldoende, nu niet is gebleken dat eiser een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend dan wel dat hem dit geweigerd is. Het behoort tot de mogelijkheden - en daarmee de risicosfeer - van eiser een daartoe strekkend verzoek in te dienen. Nu eiser dit niet heeft verzocht dan wel dat hem dit niet is geweigerd, bestaat voor de stelling dat ten tijde van het voornemen het monster reeds niet meer beschikbaar was geen aanknopingspunt. De rechtbank is derhalve niet gebleken dat eiser in zoverre in zijn verdediging is geschaad.


8. De beroepsgrond dat het verwijt aan eiser niet is gespecifieerd, faalt.

Het boeterapport alsook het voornemen bevatten een duidelijk omschrijving van hetgeen is geconstateerd, een formulering van het verwijt en een kwalificatie van de geschonden norm. Deze kwalificatie behelst een hiërarchische weergave van Europese verordeningen naar nationale wetgeving en een vervolgens bij algemene maatregel van bestuur geformuleerde kwalificatie. De rechtbank ziet in het dossier dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het verwijt voor eiser onvoldoende kenbaar zou zijn geweest.


9. De beroepsgrond dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat de boete disproportioneel is, faalt.

Artikel 6 van het EVRM brengt mee, dat de rechter dient te toetsen of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. De wetgever heeft reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht. Het met de Wet Dieren, het Besluit dierengeneesmiddelen, de voornoemde verordeningen en het Besluit handhaving en overige zaken gediende doel - het waarborgen van dierenwelzijn en volksgezondheid - staat voorop. De hoogte van de boete als hier aan de orde acht de rechtbank als zodanig niet onredelijk. Voor zover eiser betoogt dat de boete niet is afgestemd op de ernst van de onderhavige overtreding en de mate waarin die eiser kan worden verweten, is de rechtbank van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden - dat eiser bekend staat in zijn branche om het lage antibioticagebruik en dat zijn administratie op orde is - geen aanleiding vormen om te oordelen dat de opgelegde boete niet in evenredige verhouding staat tot de gedraging.


10. Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”


Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1.1 In hetgeen appellant aanvoert in zijn beroepschrift en zijn nadere toelichting ter zitting, onderscheidt het College vijf hoger beroepsgronden, die hierna achtereenvolgens worden besproken.


Als eerste betoogt appellant dat dat het primaire besluit een juiste wettelijke grondslag mist, omdat artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen niet is gebaseerd op artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren, maar slechts dient ter uitwerking van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet dieren. In het bestreden besluit gaat de staatssecretaris niet in op het bezwaar van appellant dat de verwijzing in het primaire besluit naar artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren onjuist is en het feit dat het Besluit diergeneesmiddelen niet een uitwerking is van artikel 2.7, eerste lid, maar van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren. In het bestreden besluit wordt niet overwogen dat sprake is van een gewijzigde motivering.


3.1.2 Voor zover appellant hiermee beoogt te stellen dat een en ander niet is onderkend door de rechtbank in de aangevallen uitspraak overweegt het College als volgt. Zowel uit het primaire besluit als uit het bestreden besluit blijkt dat appellant wordt verweten dat hij het in artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen neergelegde verbod heeft overtreden. In zoverre staat buiten twijfel welke overtreding verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de aan appellant opgelegde boete en is de wettelijke basis daarvan dus duidelijk. Het College ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit desondanks ondeugdelijk is gemotiveerd doordat de staatssecretaris daarin heeft verwezen naar artikel 2.7 van de Wet dieren in het algemeen, zonder hierbij in te gaan op het bezwaar van appellant met betrekking tot de verwijzing in het primaire besluit naar artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren. Uit de considerans van het Besluit diergeneesmiddelen blijkt dat dit besluit onder meer dient ter uitvoering van artikel 2.7, eerste lid, van de Wet dieren, waarin is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen over het verkopen, het ten verkoop in voorraad hebben, het ten verkoop aanbieden, het kopen, het verhuren, het afleveren, het in de handel brengen en het in of buiten Nederland brengen van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën. Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet dieren kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor het onderwerp, bedoeld in het eerste lid, regels worden gesteld die betrekking hebben op de daartoe onder a tot en met m genoemde aspecten. Daarmee geeft deze bepaling nader richting en specificatie aan de in het eerste lid van artikel 2.7 van de Wet dieren neergelegde regelgevende bevoegdheid. Gezien het aldus bestaande onlosmakelijke verband tussen het eerste en tweede lid van artikel 2.7 van de Wet dieren voert het naar het oordeel van het College te ver om te oordelen dat verweerder met vorengenoemde verwijzingen in het primaire besluit en het bestreden besluit de wettelijke basis wat betreft artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen voor de in geding zijnde boete in essentie onjuist heeft aangegeven. De hoger beroepsgrond faalt dus.


3.2.1 Appellant voert als tweede hoger beroepsgrond aan dat met de algemene verwijzing naar titel IV betreffende de administratieve bijstand en samenwerking op het gebied van diervoeders en voedingsmiddelen van Verordening (EG) Nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoerders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (Verordening 882/2004) niet is voldaan aan artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8.1 van de Wet dieren. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat dit betekent dat de resultaten van het onderzoek in Duitsland niet op grond van de Nederlandse wetgeving kunnen worden gebruikt als bewijs voor de overtreding en als grondslag voor het bestreden besluit.


3.2.2 Het College overweegt als volgt. In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. De staatssecretaris moet daarom het bewijs leveren dat appellant artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen heeft overtreden en daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Hierbij mag de staatssecretaris binnen de grenzen van de van toepassing zijnde Europese wettelijke voorschriften en, voor zover van toepassing het nationale recht, gebruik maken van bewijs dat is aangedragen door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat. In dit geval heeft de staatssecretaris het bewijs dat het vlees van het betreffende varken de farmacologisch actieve werkzame stof ampicilline bevatte die het maximum residulimiet overschrijdt, gebaseerd op de van de bevoegde Duitse autoriteit verkregen informatie dat uit analyse van de testresultaten van het door deze autoriteit bij dit varken afgenomen monster is gebleken dat die stof in een ontoelaatbare hoeveelheid is aangetroffen. Naar het oordeel van het College heeft appellant niet op begrijpelijke en inzichtelijke wijze beargumenteerd dat en waarom het nationale recht er in dit geval aan in de weg staat dat verweerder gebruik maakt van genoemde informatie van de Duitse autoriteit voor de bewijsvoering van genoemde overtreding. Gelet op de in rechtsoverweging 3.2.1 weergegeven hoger beroepsgrond betwist appellant hiermee kennelijk niet dat de Duitse autoriteit bevoegd was onderzoek te verrichten met betrekking tot de aanwezigheid van residuen van diergeneesmiddelen, de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, of de wijze waarop de staatssecretaris zich heeft vergewist van de deugdelijkheid van de in verband met dat onderzoek van de Duitse autoriteit verkregen informatie. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris geen reden had te twijfelen aan de juistheid van het bericht van de Duitse autoriteit die het bewijs heeft verzameld.


3.3.1 Als derde hoger beroepsgrond voert appellant aan dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen om te verzoeken om een tegenonderzoek door zijn eigen dierenarts. Hij is pas na maanden op de hoogte gebracht van het onderzoek en de resultaten daarvan en van de beweerdelijke overtreding. Op dat moment kon appellant niets meer ondernemen om zijn gelijk aan te tonen. In dit verband wijst appellant op de waarborgen die op grond van artikel

6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in acht moeten worden genomen, waaronder de onschuldpresumptie. Dat hij schuldig is, is niet aangetoond en de mogelijkheid om zijn onschuld aan te tonen is hem ontnomen. De rechtbank heeft het bestreden besluit niet juist beoordeeld door te negeren dat in dit besluit niet op dit punt is ingegaan. Het feit dat appellant een tegenonderzoek wil kunnen laten verrichten toont immers aan dat hij zich niet kan verenigen met de overschrijding van de maximaal residulimiet. Dit is dus wel betwist en daarom staat de overtreding niet vast. De boeteoplegging is dan ook onzorgvuldig en in strijd met artikel 5:18, derde lid, van de Awb, dat regelt dat een tegenonderzoek mogelijk moet zijn. Dit is des te meer van belang omdat appellant in zijn administratie kan aantonen dat het betreffende dier niet is behandeld met antibiotica. Voorts overweegt de rechtbank in de aangevallen uitspraak in rechtsoverweging 7 dat de opmerking in de zienswijze van appellant dat hij niet in staat is gesteld een tegenonderzoek te (laten) verrichten, onvoldoende is om te concluderen dat hij heeft verzocht om een tegenonderzoek te mogen verrichten. Appellant is daarentegen van mening dat de staatssecretaris appellant er ten eerste op had moeten wijzen dat het mogelijk is te verzoeken om een tegenonderzoek. Ten tweede moet zijn opmerking ter zake in de schriftelijke zienswijze wel als een voldoende verzoek om een tegenonderzoek worden beschouwd. De Awb of de Wet dieren bevat geen voorgeschreven procedure of vormvoorschrift voor een dergelijk verzoek. Ten derde is hetgeen de rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek voor het eerst door de staatssecretaris als verweer ter zitting bij de rechtbank naar voren gebracht. Ten onrechte heeft de staatssecretaris in het primaire besluit en het bestreden besluit op dit aspect gewezen.

De stelling van de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank dat ten tijde van de confrontatie van appellant met de onderzoeksresultaten en ten tijde van de mondelinge behandeling van het beroep er nog een monster beschikbaar was om tegenonderzoek te kunnen verrichten, is niet nader onderbouwd. Het is dan ook allerminst zeker of die monsters ten tijde van het eerste bezoek aan appellant beschikbaar waren en hoe lang deze worden bewaard. Appellant is door de handelwijze van de staatssecretaris in zijn belangen geschaad, te meer nu de rechtbank zich op geen enkele wijze er rekenschap van heeft gegeven of een tegenonderzoek (nog) mogelijk was.


3.3.2 In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet het College geen grond voor het oordeel dat hij in zijn verdediging is geschaad door de handelwijze van de staatssecretaris. Zoals het College reeds eerder heeft geoordeeld bevat titel 5.2 van de Awb geen verplichting een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise (ECLI:NL:CBB:2014:222). De staatssecretaris kan derhalve niet worden verweten dat hij appellant niet uit eigen beweging heeft gewezen op de mogelijkheid van een contra-expertise. Met betrekking tot het beroep van appellant op artikel 5:18, derde lid, van de Awb oordeelt het College dat deze bepaling in dit geval toepassing mist, nu geen sprake is geweest van monsterneming door een toezichthouder als bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. De monsterneming is immers in Duitsland uitgevoerd door de daartoe aangewezen Duitse autoriteit. Uit het boeterapport van 30 juli 2013 blijkt dat appellant door de Nederlandse toezichthouder tijdens de op 17 juli 2013 op zijn bedrijf gehouden inspectie op de hoogte is gesteld van het feit dat bij onderzoek in Duitsland van een monster van een van zijn bedrijf afkomstige zeug op 5 februari 2013 de stof ampicilline is aangetroffen in een hoeveelheid die de vastgestelde maximum residulimiet van 50 µg/kg overschreed. Hierbij heeft de toezichthouder appellant meegedeeld dat de staatssecretaris hem naar aanleiding van deze constatering een bestuurlijke boete kan opleggen en dat hij, in het kader van het verhoor met het oog op deze mogelijke sanctie, niet tot antwoorden verplicht is. Bij de inspectie heeft appellant een verklaring afgelegd die in het boeterapport, voor zover van belang, als volgt is weergegeven:


“ U houdt mij voor dat op 5 februari 2013 één van de 2 zeugen die in Duitsland geslacht zijn, positief is bevonden op de stof ampicilline. Ik heb daar niets over gehoord. Niet van de varkenshandelaar aan wie ik deze zeugen heb verkocht, noch van het slachthuis in Duitsland. De positief bevonden zeug is, net als de andere zeug, gewoon uitbetaald. Ik heb u de logboeken bestaande uit de zeugenkaarten, met daarop aangetekend de diergeneesmiddelenbehandelingen, getoond. U kunt zien dat deze 2 zeugen geen behandelingen met diergeneesmiddelen hebben gehad in de laatste maanden vóór de slacht. Ik probeer zo secuur mogelijk te werken en ben serieus bezig met het antibioticagebruik. De DDD voor mijn bedrijf zijn zéér laag, zowel bij de zeugen alsook bij de vleesvarkens. Respectievelijk 3,42 en 4,82. Ik respecteer de wachttermijnen bij de toepassing van diergeneesmiddelen altijd. Hoe deze zeug dan toch positief heeft kunnen testen op ampicilline, is voor mij een raadsel.”


Uit deze verklaring blijkt naar het oordeel van het College dat appellant reeds bij de inspectie twijfels heeft geuit over de juistheid van het resultaat van de analyse van het bij het betreffende varken afgenomen monster, onder verwijzing naar onder meer zijn administratie waaruit volgens hem volgt dat dit varken in de laatste maanden vóór de slacht niet is behandeld met diergeneesmiddelen. Gelet hierop en in het licht van het hiervoor genoemde uitgangspunt dat op de staatssecretaris geen verplichting rust een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tot het doen uitvoeren van een contra-expertise, had van appellant als beroepsmatig veehouder mogen worden verwacht dat hij reeds vanaf dat moment concrete stappen zou hebben ondernomen om zelf een contra-expertise te doen verrichten. Dat appellant dit heeft nagelaten, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Hieraan doet niet af dat de staatssecretaris ter zitting bij het College heeft aangegeven dat een interne ambtelijke instructie ervan uitgaat dat in een geval als dit bij een inspectie op de mogelijkheid van een contra-expertise moet worden gewezen en dat dit in het boeterapport dient te worden vastgelegd, maar dat dit hier kennelijk niet is gebeurd. Gelet op het vorenstaande ziet het College in het feit dat verweerder de opmerking van appellant in zijn zienswijze van

26 augustus 2013 met betrekking tot het ontbreken van de mogelijkheid tot het laten uitvoeren van een contra-expertise niet heeft opgevat als een verzoek om een contra-expertise te laten verrichten, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris hem de mogelijkheid heeft onthouden tot het laten uitvoeren van een contra-expertise en appellant daardoor in zijn verdediging is geschaad. Appellant heeft de staatssecretaris in die zienswijze overigens ook niet uitdrukkelijk gevraagd om hem in de gelegenheid te stellen een contra-expertise te laten verrichten. Onder vorengenoemde omstandigheden kan in het midden blijven of ten tijde van de inspectie, dan wel het indienen van de zienswijze nog een monster voor een eventuele contra-expertise beschikbaar was.


3.4.1 Als vierde grond stelt appellant dat wanneer een boete wordt opgelegd moet vast staan dat sprake is van schuld. Aangetoond moet worden dat het handelen van appellant aan hem kan worden verweten. Appellant heeft alle zorgvuldigheid betracht die van hem mocht worden verlangd. Appellant heeft het varken verkocht en later is het geslacht. Het is derhalve mogelijk dat niet door hem maar door anderen eventueel middelen zijn toegediend. Bovendien staat niet onomstotelijk vast dat het betreffende dier van appellant was. De nummers die ter identificatie van het dier worden gebruikt in Duitsland en Nederland komen niet overeen. Ter zitting bij de rechtbank heeft de inspecteur die de inspectie op zijn bedrijf heeft uitgevoerd, aangegeven dat in Duitsland een andere werkwijze wordt gehanteerd en tevens, zo begrijpt appellant, dat niet 100% is uit te sluiten dat het varken niet van appellant was.


3.4.2 Ter onderbouwing van zijn stelling dat hem niet kan worden verweten dat de overtreding heeft plaatsgevonden, voert appellant aan dat iemand anders eventueel middelen aan het dier kan hebben toegebracht en dat niet onomstotelijk vaststaat dat het dier van hem is. Naar het oordeel van het College biedt appellant voor geen van deze beide stellingen een nadere onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van een plausibel alternatief scenario of een technische of feitelijke analyse van het slachtproces of het omnummerproces, waaruit zou blijken dat de mogelijkheid dat een derde partij de middelen aan het dier kan hebben toegebracht of dat een fout bij het omnummeren zou zijn gemaakt niet louter speculatief of hypothetisch is. De door appellant aangevoerde argumenten leveren derhalve geen grond op voor het oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft vastgesteld dat het onderzochte dier van hem afkomstig is en ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn stelling dat de gedraging niet tot hem is te herleiden faalt. Hieruit volgt naar het oordeel van het College dat de overtreding aan appellant kan worden verweten. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in het bestreden besluit niet heeft aangetoond dat de overtreding door appellant is begaan en aan hem verweten kan worden. Dat de staatssecretaris in het bestreden besluit ten onrechte opmerkt dat verwijtbaarheid bij deze vaststelling geen rol speelt, doet hieraan niet af.


3.5.1 In zijn vijfde grond betoogt appellant dat de opgelegde standaardboete niet voldoet aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Appellant betoogt dat ten onrechte direct een hoge boete is opgelegd en niet eerst een waarschuwing is gegeven. Het opleggen van deze boete is daarom onevenredig. Het boetebesluit kan ook om deze reden niet in stand blijven. Ten onrechte heeft er ook geen afweging plaatsgevonden van eventuele matiging van de boete. Appellant heeft zorgvuldig gehandeld en er is niet aangetoond dat hem schuld treft. Noch in het besluit, noch in de regeling is hieraan aandacht besteed. Appellant merkt nog op dat hij in de varkenssector relatief weinig antibiotica gebruikt, dat zijn registratie op orde is en dat hij nu ten onrechte wordt afgeschilderd als een boef in de sector.


3.5.2 Zoals blijkt uit de voorgaande overwegingen heeft de staatssecretaris terecht vastgesteld dat artikel 8A.13 van het Besluit diergeneesmiddelen is overtreden en dat dit aan appellant kan worden verweten. Ingevolge de Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet Dieren in samenhang met artikel 2.2 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is de staatssecretaris bevoegd wegens overtreding van genoemde overtreding een boete op te leggen van € 2.500,-. In hetgeen appellant heeft aangevoerd – dat hij relatief weinig antibiotica gebruikt en zijn registratie op orde is – ziet het College geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en evenmin dat sprake is van bijzondere omstandigheden waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien de boete te matigen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen reden is om te oordelen dat de opgelegde boete niet in evenredige verhouding staat tot de gedraging.


4. Het College komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De bestreden uitspraak dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



Beslissing


Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.




Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.A.M. van den Berk en mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2017.



w.g. S.C. Stuldreher De griffier is verhinderd te onderteken.