Centrale Raad van Beroep, 31-12-1996 / 96/707 WW


ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6577

Inhoudsindicatie
De tijdens detentie in een Huis van Bewaring verrichte arbeid is niet verricht in een dienstbetrekking in de zin van art. 3 of in een arbeidsverhouding als bedoeld in de art. 4 en 5. Evenmin kan die arbeid worden aangemerkt als werkzaamheden in de zin van art. 8, eerste lid onder a, als omschreven in onder meer RSV 1990/345. De setting waarbinnen betrokkene die arbeid verricht wordt zodanig overheerst door diens gevangenschap, dat iedere vergelijking met de in de art. 3, 4 en 5 vervatte begrippen dienstbetrekking en arbeidsverhouding en met de in art. 8 bedoelde werkzaamheden mank gaat. Een restrictieve uitleg van art. 17, tweede lid aanhef en onder a in die zin dat voor het vaststellen van de referteperiode van 52 weken alleen die perioden buiten aanmerking worden gelaten waarin de werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid, is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, althans met die bedoeling zeker niet in strijd. De strekking van de verlengingsregeling is geen andere dan die van de onder de oude WW geldende verlengingsregeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1996-12-31
Publicatiedatum
2017-06-06
Zaaknummer
96/707 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 1997, 104
  • USZ 1997/28
Uitspraak

96/707 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het bestuur van "De Samenwerking" Bedrijfsvereniging voor het

Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vlees en de

Pluimveeslachterijen, appellant,


en


[A. te B.], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant is op de daartoe in een aanvullend beroepschrift

aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de

Arrondissementsrechtbank te Alkmaar onder dagtekening 11

januari 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar

hierbij wordt verwezen.


Bij brief van 24 mei 1996 heeft mr E. Holscher, werkzaam bij

het Buro voor rechtshulp te Hoorn, namens gedaagde van verweer gediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 december

1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr

A.B.M. Adriaansen, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling BV,

en waar gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen.



II. MOTIVERING


Blijkens rubriek 3 van de aangevallen uitspraak - waarin

appellant als verweerder is aangeduid, en gedaagde als eiser -

heeft de rechtbank de navolgende feiten als vaststaande

aangenomen:

"Eiser werkte sedert 2 januari 1992 ingevolge een

arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voltijds

als uitbener bij X. B.V..

Op 24 januari 1994 is eiser arbeidsongeschikt

geraakt. Op 25 januari 1994 is aan eiser, als verdachte

van een strafbaar feit, zijn vrijheid ontnomen.

Bij brief van 11 mei 1994 is de arbeidsovereenkomst

namens eisers werkgever met onmiddellijke ingang

beëindigd, aangezien eiser inmiddels tot een onvoorwaardelijke

vrijheidsstraf was veroordeeld.

Bij besluit van 28 september 1994 is eiser met ingang

van 21 september 1994 het recht op ziekengeld

ingevolge de Ziektewet ontzegd, op de grond dat

eiser vanaf laatstgenoemde datum niet meer arbeidsongeschikt

is. Na op 2 november 1994 in vrijheid te

zijn gesteld, heeft eiser op 13 november 1994 een

uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.

Deze uitkering is hem bij besluit van 29 november

1994 geweigerd, aangezien eiser niet voldeed aan de

eis dat hij in de twaalf maanden voorafgaande aan

2 november 1994 tenminste 26 weken als werknemer

arbeid heeft verricht.

Tegen dit besluit is namens eiser bezwaar ingesteld

bij verweerder. Bij besluit van 4 mei 1995 heeft

verweerder het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.".


Die feiten worden door partijen niet betwist en vormen ook

voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming, met

dien verstande dat voor de woorden "twaalf maanden" moet

worden gelezen "52 weken".

De Raad voegt hier nog aan toe dat hij er, met partijen en de

rechtbank, van uitgaat dat gedaagdes werkloosheid op 2

november 1994 is ingetreden.


In eerste aanleg heeft het geschil tussen partijen zich

toegespitst op de vraag welke betekenis moet worden toegekend

aan artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW,

zoals dat artikel luidde ten tijde hier van belang. De tekst

van het eerste en tweede lid van dat artikel luidde toen als

volgt (en het is die, tot 1 maart 1995 gegolden hebbende,

tekst waar de Raad in deze uitspraak van uitgaat):

"1. Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer

indien hij in 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan

de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken

als werknemer arbeid heeft verricht.

2. Voor de vaststelling van het in het eerste lid

bedoelde aantal van 52 weken worden niet in aanmerking

genomen perioden waarin de werknemer

a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid

kon verrichten;

of

b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel

8 en hij de hoedanigheid van werknemen heeft herkregen.".


Namens gedaagde is gesteld dat, nu gedaagde van 24 januari

1994 tot en met 20 september 1994 arbeidsongeschikt was wegens

ziekte, die periode niet in aanmerking mag worden genomen voor

de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van

52 weken, zodat de zogeheten referteperiode dient te worden

"voorverlengd" met die periode van arbeidsongeschiktheid.

Appellant daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld -

samengevat - dat artikel 17, tweede lid, aanhef en onder a, van

de WW aldus moet worden gelezen dat slechts dan een periode

van ziekte buiten aanmerking blijft indien de werknemer in die

periode uitsluitend wegens die ziekte geen arbeid kon

verrichten. Aangezien gedaagde tijdens zijn onderhavige ziekte

gedetineerd was, en derhalve reeds om die reden in de

onmogelijkheid verkeerde arbeid te verrichten, kan gedaagdes

ziekte niet tot de door hem beoogde voorverlenging van de

referteperiode leiden, aldus appellant.


De rechtbank heeft appellant in diens hiervoor weergegeven

standpunt niet kunnen volgen. Daartoe heeft die rechter

overwogen dat de term "uitsluitend" niet in meergenoemd

onderdeel van artikel 17 van de WW voorkomt, en dat overigens

noch in de WW, noch in de toelichting daarop aanwijzingen zijn

te vinden dat die bepaling moet worden gelezen in de door

appellant verdedigde zin.

De rechtbank is daarom van oordeel dat in gedaagdes geval de

referteperiode moet worden verlengd met de periode van ziekte,

en dat appellants bestreden besluit reeds op die grond voor

vernietiging in aanmerking komt.

Daarnaast heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak

opgemerkt dat het bestreden besluit ook op een andere grond

voor vernietiging in aanmerking komt. Daaraan ligt de volgende

overweging ten grondslag:

"Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven

dat eiser in het huis van bewaring arbeid heeft

verricht. Dit is van de zijde van verweerder bevestigd.

In verband met het vast te stellen recht op uitkering

ingevolge de WW is van belang of de door eiser

verrichte arbeid met zich heeft meegebracht dat

eiser als werknemer in de zijn van de WW moet worden

beschouwd, dan wel of de door eiser verrichte werkzaamheden

als arbeid zoals bedoeld in artikel 8 van

de WW moeten worden aangemerkt. Eveneens is het in

dat kader van belang over welke periode eiser arbeid

heeft verricht en hoeveel uren per week daarmee

gemoeid zijn geweest.

Verweerder heeft evenwel ten onrechte nagelaten een

en ander te onderzoeken, zodat aan het bestreden

besluit in dit opzicht een draagkrachtige motivering ontbreekt.".


In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot de eerste

van de door de rechtbank gehanteerde vernietigingsgronden

aangevoerd dat weliswaar toegegeven moet worden dat de term

"uitsluitend" niet voorkomt in de tekst van artikel 17 van de

WW, maar dat het in strijd met de strekking van de WW zou zijn

indien de referteperiode wordt verlengd met een periode van

arbeidsongeschiktheid gedurende welke gedaagde toch al, als

gevolg van zijn detentie, in de feitelijke onmogelijkheid verkeerde

arbeid te verrichten.

Appellant heeft in dit verband gewezen op de tekst van artikel

3 van het Besluit van de (voormalige) Sociale Verzekeringsraad

van 18 december 1986, Stcrt. 1987, 45, in welk artikel het

woord "uitsluitend" wél voorkomt, alsmede op de in 's Raads

uitspraak van 14 februari 1984, RSV 1984/159, opgenomen

overweging omtrent het oogmerk van de in artikel 27 van de

oude Werkloosheidswet vervatte verlengingsregeling.


Met betrekking tot de andere door de rechtbank gehanteerde

grond voor de vernietiging van het bestreden besluit heeft

appellant in zijn aanvullend beroepschrift het volgende aangevoerd :

"De rechtbank is van mening dat hoewel is komen vast

te staan dat door gedaagde in het huis van bewaring

arbeid is verricht, van de zijde van appellant onvoldoende

onderzoek is verricht of deze arbeid met

zich mee heeft gebracht dat gedaagde als werknemer

in de zin van de WW moet worden beschouwd, dan wel

of de verrichte werkzaamheden als arbeid zoals bedoeld

in artikel 8 van de WW moeten worden aangemerkt.

Appellant wenst op te merken dat uit onderzoek is

gebleken en ter terechtzitting ook naar voren is

gebracht - zie het procesverbaal - dat gedaagde arbeid

verrichtte in de houtwerkplaats. Tot het verrichten

van de arbeid was gedaagde niet verplicht, terwijl

tevens tegenover het verrichten van deze arbeid geen

loon stond maar werd volstaan met een vergoeding.

Op grond van artikel 3 van de WW wordt als werknemer

beschouwd de natuurlijke persoon, jonger dan 65

jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke

dienstbetrekking staat.

Gezien de omstandigheden waaronder en de voorwaarden

waarop door gedaagde arbeid werd verricht, is appellant

van mening dat er noch sprake kan zijn van het

bestaan van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk

recht, noch dat de arbeid door gedaagde is verricht

in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige

uitoefening van een beroep.".


De Raad acht het aangewezen allereerst te beoordelen wat er

zij van het door de rechtbank, kennelijk ambtshalve, gegeven

oordeel dat appellant had dienen te onderzoeken of de door

gedaagde in het Huis van Bewaring verrichte arbeid met zich

bracht dat gedaagde als werknemer in de zin van de WW moet

worden beschouwd, dan wel of dat werk als arbeid in de zin van

artikel 8 van die wet moet worden aangemerkt.


De Raad merkt dienaangaande in de eerste plaats op dat de

rechtbank in een aan dat oordeel voorafgaande overweging reeds

had vastgesteld dat gedaagde "vanaf 24 januari 1994 tot zijn

eerste dag van werkloosheid geen arbeid als werknemer heeft

verricht". Daarmee is evenwel in tegenspraak dat appellant op

dat punt onderzoek had dienen te doen.


Ook overigens kan de Raad het hier aan de orde zijnde gedeelte

van de aangevallen uitspraak niet onderschrijven.

Wat er ook zij van de precieze aard, omvang en duur van de

door gedaagde tijdens zijn detentie verrichte arbeid, de Raad

vermag niet in te zien dat van die arbeid gezegd zou moeten

worden dat gedaagde die verrichtte in een dienstbetrekking in

de zin van artikel 3 van de WW of in een arbeidsverhouding als

bedoeld in de artikelen 4 en 5 van die wet. Evenmin ziet de

Raad aanleiding die arbeid aan te merken als werkzaamheden in

de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW, zoals de Raad

dergelijke werkzaamheden in zijn rechtspraak - zie onder meer

de uitspraak van 17 juli 1990, RSV 1990/345 - heeft omschreven.

De Raad baseert dit oordeel op de omstandigheid dat de setting

waarbinnen door een gedetineerde in een Huis van Bewaring

arbeid wordt verricht zodanig wordt overheerst door diens

gevangenschap, dat iedere vergelijking met de, in de artikelen

3, 4 en 5 van de WW vervatte, begrippen dienstbetrekking en

arbeidsverhouding en met de in artikel 8 van die wet bedoelde

werkzaamheden mank gaat.


Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden die partijen

in eerste aanleg verdeeld hield, en ook thans nog verdeeld

houdt, te weten of de periode van gedaagdes ziekte tijdens

diens detentie kan leiden tot het zogenoemde voorverlengen van

de referteperiode.


Daaromtrent overweegt de Raad dat de tekst van het tweede lid,

aanhef en onder a, van artikel 17 van de WW naar zijn oordeel

geen volstrekte duidelijkheid geeft.

Enerzijds zou het ontbreken van het woord "uitsluitend" in die

tekst kunnen leiden tot de door gedaagde en de rechtbank

gehuldigde uitleg, anderzijds kan uit het woord "wegens" in

die tekst begrepen worden dat er sprake moet zijn van een

direct oorzakelijk verband tussen de arbeidsongeschiktheid en

het niet-werken, met uitsluiting van eventuele andere oorzaken.


De onderhavige bepaling blijkt mitsdien voor meer dan één

uitleg vatbaar te zijn, welke omstandigheid er toe noopt na te

gaan welke uitleg het best aansluit bij de wetssystematiek

en/of de bedoeling van de wetgever.


In dat verband stelt de Raad vast dat het bepaalde in het

tweede lid van artikel 17 van de WW moet worden aangemerkt als

een uitzondering op de in het eerste lid van dat artikel

neergelegde hoofdregel dat de referteperiode slechts 52 weken bevat.

Om die reden acht de Raad het in de rede liggen dat tweede lid

in restrictieve zin uit te leggen, hetgeen met zich brengt dat

de referteperiode slechts kan worden voorverlengd indien en

voor zover die bepaling dan wel de toelichting daarop daartoe

ondubbelzinnig dwingt. Zoals in het vorenstaande is overwogen

geeft de onderhavige bepaling geen ondubbelzinnige regeling

voor situaties waarin meerdere oorzaken gelijktijdig aan de

mogelijkheid tot het verrichten van arbeid in de weg staan.


Een restrictieve uitleg in de door appellant verdedigde zin -

dus: voor het vaststellen van de referteperiode van 52 weken

worden alleen die perioden buiten aanmerking gelaten waarin de

werknemer niet heeft kunnen werken uitsluitend als gevolg van

ziekte of arbeidsongeschiktheid - acht de Raad in

overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, althans met

die bedoeling zeker niet in strijd. De Raad wijst er op dat de

strekking van de in de (nieuwe) WW neergelegde

verlengingsregeling, voor zover hier van belang, geen andere

is dan die welke was neergelegd in artikel 27, eerste lid, van

de oude Werkloosheidswet (zie 's Raads uitspraak van 11

februari 1992, RSV 1992/219), en dat de Raad in de door

appellant genoemde uitspraak, gepubliceerd in RSV 1984/159,

onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis het oogmerk van de

in laatstgenoemd artikel vervatte verlengingsregeling heeft

omschreven als: "voor in de oorspronkelijke referteperiode van

12 maanden gelegen dagen, waarop de werknemer door

arbeidsongeschiktheid in de feitelijke onmogelijkheid

verkeerde ter voldoening aan de dageneis werkzaam te zijn,

compensatie te bieden door aan die referteperiode een

overeenkomstig aantal dagen toe te voegen waarop voor de

werknemer die mogelijkheid wél bestond."


Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat appellant zich

terecht op het standpunt stelt dat de periode gedurende welke

gedaagde tijdens diens detentie arbeidsongeschikt was niet

buiten aanmerking mag worden gelaten voor de vaststelling van

de referteperiode.


Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat, nu vaststaat dat

gedaagde in de overeenkomstig het eerste lid van artikel 17

van de WW berekende referteperiode in minder dan 26 weken als

werknemer arbeid heeft verricht, appellant bij het bestreden

besluit terecht de afwijzing van gedaagdes aanvraag om

uitkering ingevolge de WW heeft gehandhaafd. Dat besluit is

derhalve door de rechtbank ten onrechte niet in stand gelaten,

zodat de aangevallen uitspraak zal moeten worden vernietigd en

gedaagdes inleidend beroep alsnog ongegrond zal moeten worden verklaard.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan

het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.


Aldus gegeven door mr J.C.F. Talman als voorzitter en

mr P.H. Hugenholtz en mr Th.C. van Sloten als leden, in

tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en

uitgesproken in het openbaar op 31 december 1996.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) G. Leppink-Kooistra.


RH

3112