Centrale Raad van Beroep, 22-01-1998 / 96/7651 AW, 96/7652 AW, 96/7653 AW, 96/7655 AW, 9


ECLI:NL:CRVB:1998:AA8764

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1998-01-22
Publicatiedatum
2002-08-28
Zaaknummer
96/7651 AW, 96/7652 AW, 96/7653 AW, 96/7655 AW, 9
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

96/7651 AW, 96/7652 AW, 96/7653 AW, O

96/7655 AW, 96/7581 AW, 96/7584 AW



U I T S P R A A K



in de gedingen tussen:


A, wonende te B, appellant, tevens gedaagde, hierna: appellant,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde, tevens appellant, hierna: gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Partijen hebben op daartoe bij aanvullende beroepschriften met bijlagen aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen een op 4 juli 1996 onder nrs. AW 93/43, 162, 173 en AWB 94/6088 AW gegeven uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch, waarbij is beslist op namens appellant ingestelde beroepen tegen een besluit van 5 januari 1993 tot het opleggen van een disciplinaire straf, tegen een besluit van 8 juni 1993 tot het verlenen van eervol ontslag onder toekenning van wachtgeld, tegen een besluit van 23 juni 1993 waarbij de hoogte van de grondslag van het wachtgeld is verlaagd, alsmede tegen een op bezwaar genomen besluit van 14 juli 1994 inzake korting op dit wachtgeld.


Partijen hebben over en weer verweerschriften ingediend.


De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op

11 december 1997. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te 's-Gravenhage, als zijn raadsvrouwe. Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr J.M.M.B. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, als gemachtigde.



II. MOTIVERING


Voor een uitgebreide weergave van de voor deze gedingen van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en volstaat met het volgende.


Bij besluit van gedaagde van 25 september 1990 is appellant ter zake van door hem op 8 april 1990 gepleegd plichtsverzuim, bestaande uit het opstellen van een rapport waarin hij zich grievend uitlaat jegens gedaagde en uit het toezenden hiervan aan gedaagde alsmede aan de raad van de gemeente Eindhoven, gestraft met een combinatie van drie disciplinaire straffen, bestaande uit:

1. vermindering van de bezoldiging met de laatste twee toegekende periodieke verhogingen gedurende twee jaren;

2. voorwaardelijke terugzetting in rang, waarbij de bezoldiging wordt vastgesteld op het maximum van salarisgroep 016, met een proeftijd van drie jaren;

3. overplaatsing naar een andere dienst.

Dit besluit is bij een door de Raad bij uitspraak van

10 december 1992, TAR 1993, 37 bevestigde uitspraak van het toenmalige Ambtenarengerecht te 's-Hertogenbosch nietig verklaard. Bij het thans in geschil zijnde besluit van 5 januari 1993 heeft gedaagde ter zake van genoemd plichtsverzuim opnieuw beslist en aan appellant de hiervoor onder 1. weergegeven straf opgelegd, een en ander met ingang van 1 februari 1993.

Na een periode van arbeidsongeschiktheid is appellant ingaande 1 januari 1991 voor een jaar geplaatst in een tijdelijke functie bij de dienst Maatschappelijke en Culturele Zaken (MCZ). Na een periode van non-activiteit met behoud van salaris is aan appellant bij het thans in geding zijnde besluit van 8 juni 1993 eervol ontslag verleend met ingang van 1 augustus 1993 onder toekenning van wachtgeld en bij besluit van 23 juni 1993 heeft gedaagde de grondslag van het aan appellant toegekende wachtgeld op een verlaagd niveau vastgesteld, zulks in verband met doorwerking van de aan hem opgelegde disciplinaire bestraffing. Bij op bezwaar genomen besluit van 14 juli 1994 heeft gedaagde gehandhaafd zijn eerder genomen besluit van 29 maart 1994, waarbij het appellant toegekende wachtgeld is gekort in verband met de omstandigheid dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid inkomsten te verwerven.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak gedaagdes besluit van 5 januari 1993 en gedaagdes besluit van 23 juni 1993 vernietigd en de overige besluiten in stand gelaten. Een namens appellant gedaan verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is door de rechtbank niet gehonoreerd aangezien de omvang van de door appellant geleden schade naar het oordeel van de rechtbank afhankelijk is van nadere besluitvorming door gedaagde en mitsdien nog niet vaststaat.


De Raad overweegt het volgende.


Disciplinaire strafoplegging


Hiertoe verwijst de Raad allereerst naar zijn bovenvermelde uitspraak van 10 december 1992. Als gevolg van deze uitspraak staat vast dat appellant door het uiten van beledigingen aan het adres van gedaagde in het op 8 april 1990 gedagtekend schrijven en door het sturen van dit schrijven zowel naar gedaagde als naar de gemeenteraad van Eindhoven zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend, zodat gedaagde bevoegd is hem ter zake disciplinair te straffen. De Raad heeft de nietigverklaring van de destijds opgelegde sanctie bevestigd aangezien de door gedaagde gekozen combinatie van de drie boven weergegeven straffen onevenredig werd geacht aan het door eiser gepleegde plichtsverzuim.


Gezien inhoud en strekking van genoemde uitspraak ligt thans uitsluitend nog de vraag ter beantwoording voor of tussen appellants plichtsverzuim en de nader door gedaagde opgelegde disciplinaire straf geen onevenredigheid bestaat.


De rechtbank heeft deze vraag ontkennend beantwoord en de Raad komt, zij het op ietwat andere gronden, eveneens tot een ontkennende beantwoording van deze vraag.


De Raad overweegt daarbij dat bij beantwoording van deze vraag dienen te worden betrokken de omstandigheden die zich hebben voorgedaan sedert het nietigverklaarde strafbesluit en sedert de eerdere uitspraak van de Raad.


De Raad ziet daarbij in het bijzonder op de omstandigheid dat door het enkele verloop van tijd de eerder voorwaardelijk opgelegde straf van terugzetting in rang gedurende het grootste deel van de daaraan verbonden proeftijd als sanctie van betekenis is geweest voor appellant en voorts dat de bij de eerdere strafoplegging onder 3. opgenomen overplaatsing naar een andere dienst is gerealiseerd door appellants overplaatsing naar MCZ.


Niettegenstaande de nietigverklaring van het eerdere strafbesluit heeft appellant aldus een aanzienlijk deel van de gevolgen van dat besluit ondergaan.


Voorts ziet de Raad op de omstandigheid dat gedaagde de gevolgen van de eerder opgelegde, maar nietigverklaarde, straf van vermindering van de bezoldiging weliswaar geheel ongedaan heeft gemaakt door het nabetalen van de volledige bezoldiging, vermeerderd met wettelijke rente, over het tijdvak van 1 oktober 1990 tot en met 30 september 1992, maar in dat gegeven aanleiding heeft gezien dezelfde straf van vermindering van bezoldiging op te leggen met ingang, nu, van 1 februari 1993, wat tot gevolg heeft dat die eerst dan verminderde bezoldiging doorwerkt in en bepalend is voor de hoogte van de grondslag van het appellant na zijn ontslag toegekende wachtgeld.


Naar het oordeel van de Raad is door het opleggen van deze laatste straf aan appellant aldus opnieuw in effect een combinatie van straffen opgelegd van een zwaarte die onevenredig moet worden geacht aan het toch niet als zeer ernstig te kwalificeren plichtsverzuim van appellant. Dit oordeel van de Raad zou anders luiden, indien gedaagde

- gegeven de, kennelijk niet verder ongedaan te maken, gevolgen van de eerder opgelegde straffen - aan appellant nog de straf van schriftelijke berisping zou hebben opgelegd.


De Raad zal derhalve het oordeel van de rechtbank voor zover daarbij het in geding zijnde besluit van 5 januari 1993 is vernietigd, bevestigen.


Ontslag


Bij schrijven van 27 oktober 1992 is door gedaagde aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt tot verlening van eervol ontslag als bedoeld in artikel 106, eerste lid, van de Algemene rechtstoestandsverordening 1939 (ARV 1939) van de gemeente Eindhoven. Nadat tevergeefs is geprobeerd appellant na afloop van zijn tijdelijke plaatsing bij de dienst MCZ te herplaatsen als kredietadviseur bij de Gemeentelijke kredietbank, is bij het thans in geding zijnde besluit van 8 juni 1993 voornoemd voornemen ten uitvoer gelegd en is aan appellant op grond van artikel 106, eerste lid, van de ARV 1939 met ingang van

1 augustus 1993 eervol ontslag verleend, onder toekenning van een wachtgeld.


De rechtbank heeft geoordeeld dat in casu sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 106, eerste lid, van de ARV 1939 en de Raad kan de rechtbank in dit oordeel volgen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat door eigen toedoen van appellant, te weten zijn vorenvermelde plichtsverzuim, een impasse is ontstaan waarbij appellant niet in zijn eigen functie kon worden gehandhaafd en er voor hem geen passende functie beschikbaar was, die beantwoordde aan alle door de bedrijfsarts voor appellant vastgestelde beperkingen.


De Raad heeft voorts evenals de rechtbank niet tot het oordeel kunnen komen dat gedaagde van zijn uit evenbedoelde bijzondere omstandigheden voortvloeiende ontslagbevoegdheid gebruik heeft gemaakt op een wijze die de rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.


Van de zijde van appellant is ter zake onder meer aangevoerd dat aan het verlenen van ontslag in de weg zou staan de omstandigheid dat gedaagde hem bij schrijven van 18 december 1990 de toezegging heeft gedaan dat uiterlijk op 1 januari 1992 voor appellant een vaste arbeidsplaats binnen de gemeente Eindhoven beschikbaar zal zijn. In deze opvatting kan de Raad appellant niet volgen. Gelet immers op de omstandigheden waaronder deze toezegging is gedaan en gelet vervolgens op de ontwikkelingen die zich nadien hebben voorgedaan en op de rol van appellant daarbij, acht de Raad het te ver gaan gedaagde onverkort te houden aan de plicht tot nakoming van de gedane toezegging.


Aan het appellant verleende ontslag is ingevolge het bepaalde in artikel 106, tweede lid, van de ARV 1939 door gedaagde een vergoeding verbonden die is bepaald op een wachtgeld overeenkomstig het ingevolge artikel 103 van de ARV 1939 van overeenkomstige toepassing zijnde Rijkswachtgeldbesluit 1959 (RWB). Naar het oordeel van de Raad is, gelet op het aandeel van appellant in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die uiteindelijk heeft geleid tot zijn ontslag, een regeling tot stand gekomen die binnen de grenzen van de redelijkheid is gebleven.


Gelet op het vorenstaande komt het oordeel dat de rechtbank heeft uitgesproken met betrekking tot het ontslagbesluit van 8 juni 1993 voor bevestiging in aanmerking.


Wachtgeld


Bij besluit van 23 juni 1993 heeft gedaagde de grondslag van het aan appellant toegekende wachtgeld nader vastgesteld en deze gedurende de periode van 1 augustus 1993 tot 1 februari 1995 verlaagd als gevolg van de appellant bij besluit van 5 januari 1993 opgelegde disciplinaire straf van vermindering van bezoldiging gedurende twee jaren met de laatste twee aan hem toegekende periodieken.


Als gevolg van de vernietiging van genoemd besluit van

5 januari 1993 is de basis aan het besluit van 23 juni 1993 komen te ontvallen. Dit besluit komt dus eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het op dit besluit betrekking hebbende onderdeel van de aangevallen uitspraak zal mitsdien in stand worden gelaten.



Korting op het wachtgeld


Bij op bezwaar genomen besluit van 14 juli 1994 heeft gedaagde gehandhaafd zijn besluit van 29 maart 1994, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 14 van het RWB en het appellant toegekende wachtgeld met een bedrag van f 8.271,70 is gekort in verband met inkomsten die appellant had kunnen verwerven uit een tijdelijke plaatsing bij de Ergon bedrijven.


Namens appellant is aangevoerd dat de tijdelijke werkzaamheden die appellant had kunnen verrichten voor hem niet passend waren, gelet op de door de bedrijfsarts voor appellant vastgestelde beperkingen. Onder deze omstandigheden had gedaagde in de visie van appellant geen toepassing moeten geven aan het bepaalde in artikel 14 van het RWB.


De Raad kan appellant niet volgen in de opvatting dat de werkzaamheden bij Ergon bedrijven voor hem niet passend zouden zijn. De Raad ziet daartoe naar de omstandigheid dat het werkzaamheden betreffen in financiële en administratieve zin, die aansluiten bij de werkzaamheden die appellant voorheen heeft verricht en voorts dat het aanbieden van deze werkzaamheden aan appellant is te plaatsen in het kader van begeleiding naar passend werk. Tegen deze achtergrond kan de Raad niet tot het oordeel komen dat deze werkzaamheden uitsluitend vanwege het tijdelijke karakter niet zouden passen in het door de bedrijfsarts voor appellant vastgestelde functieprofiel.


Hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd kan mitsdien niet leiden tot het oordeel dat gedaagde geen toepassing had mogen geven aan het bepaalde in artikel 14 van het RWB. De Raad kan de rechtbank derhalve volgen in haar met betrekking tot het laatste in geding zijnde besluit uitgesproken oordeel.


De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, komt gelet op al het vorenstaande voor bevestiging in aanmerking.


Met betrekking tot de kosten van het geding in hoger beroep acht de Raad het aangewezen om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van f 1.420,- aan rechtskundige bijstand.


Met betrekking tot het namens appellant ook in hoger beroep gedane verzoek om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb, acht de Raad het geraden toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:73, tweede lid, van de Awb, aangezien de eventuele aanspraak op en de omvang van de schadevergoeding met de thans beschikbare gegevens niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld. Appellant zal in de gelegenheid worden gesteld zijn verzoek nader te onderbouwen.


Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep ten bedrage van f 1.420,-, te betalen door de gemeente Eindhoven;

Verstaat dat van de gemeente Eindhoven een bedrag van

f 630,- aan griffierecht wordt geheven;

Bepaalt dat het onderzoek terzake van de gevorderde schadevergoeding wordt heropend en stelt daartoe de stukken in handen van de voorzitter.


Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr H.R. Geerling-Brouwer en mr F.L.J. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 1998.







(get.) H.A.A.G. Vermeulen.






(get.) P.H. Schippers.