Centrale Raad van Beroep, 10-03-1999 / 98/1971 ZW


ECLI:NL:CRVB:1999:AA3972

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1999-03-10
Publicatiedatum
2002-08-13
Zaaknummer
98/1971 ZW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 1999, 133
  • USZ 1999/155
Uitspraak

98/1971 ZW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


A, wonende te B, appellant,


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 7 augustus 1997 heeft gedaagde appellant kennis gegeven van zijn op bezwaar gegeven besluit, betreffende de weigering van ziekengeld op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de Ziektewet (hierna: ZW) en het bepaalde in het Maatregelenbesluit Tica.


De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 23 januari 1998 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.


Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de gronden uiteengezet in het beroepschrift, dat was voorzien van enkele bijlagen.


Vanwege gedaagde is onder dagtekening 19 juni 1998 een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 februari 1999, waar appellant, opgeroepen krachtens artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in persoon is verschenen en waar gedaagde, op gelijke wijze opgeroepen, zich heeft laten vertegenwoordigen door drs M.P.W.M. Wiertz, werkzaam bij Gak Nederland B.V.



II. MOTIVERING


Appellant, die als werknemer in dienst was van een papierverwerkend bedrijf, heeft zich na een val in een papier-shredder, op 8 februari 1997 ziek gemeld. Op 21 maart 1997 zijn appellant en zijn werkgever overeengekomen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te beëindigen per 31 maart 1997, waarbij de werkgever aan appellant een vertrekstimuleringspremie toekende van f 65.313,--, zijnde 14,75 maal appellants bruto-maandsalaris. Voordien had appellant, naar blijkt uit een aan hem gericht schrijven van diens werkgever d.d. 6 januari 1997, te kennen gegeven dat hij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen. In genoemd schrijven is namens de werkgever bericht dat akkoord werd gegaan met ontslag en dat het verzoek om in aanmerking te komen voor een premie op grond van de, tot 1 april 1997 geldende, vertrekstimuleringsregeling zou worden gehonoreerd. In dat schrijven is voorts verzocht overleg te plegen omtrent de ontslagdatum.


Appellant, die op het tijdstip van ontslagname nog steeds arbeidsongeschikt was, is bij schrijven van 22 april 1997 door de bedrijfsarts die de ziekteverzuimbegeleiding verzorgde, gemeld bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor.


Aangaande de gronden waarop het bestreden besluit berust en de voorschriften die voor de toetsing van dat besluit van belang zijn, wordt het volgende overwogen.


Gedaagde stelt zich op het standpunt dat appellant door ontslag te nemen op een tijdstip, waarop hij in verband met ongeschiktheid voor zijn arbeid aanspraak op loon zou hebben gehad bij het voortduren van de dienstbetrekking, een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van eerdergenoemd artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Op grond van dat voorschrift weigert het Landelijk instituut sociale verzekeringen het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds benadeelt of zou kunnen benadelen. Krachtens het tweede lid van genoemd artikel 45 wordt een maatregel, als bedoeld in het eerste lid, afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de verzekerde de gedraging kan worden verweten.

Ingevolge het derde lid van artikel 45 kan van het opleggen van een maatregel worden afgezien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ter uitvoering van artikel 45, vijfde lid, zijn aangaande het opleggen van maatregelen nadere regels gesteld bij het Maatregelenbesluit Tica.

Naar de mening van gedaagde is er in verband met eerdergenoemde ontslagname sprake van het niet nakomen van de verplichting die in de Bijlage bij het Maatregelenbesluit Tica is opgenomen in de vijfde categorie, ten 2o van de ZW. In genoemde Bijlage is daaromtrent het volgende vermeld: "De verzekerde is verplicht zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds of het wachtgeldfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, doordat hij afstand doet op zijn aanspraak op loon onder voortduren van de dienstbetrekking, instemt met of berust in een eindiging van de dienstbetrekking of een eindiging van de dienstbetrekking op een eerder tijdstip dan bij het sluiten van de dienstbetrekking was overeengekomen (artikel 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW).”.


In verband daarmede heeft gedaagde bij het in bezwaar gehandhaafde besluit d.d. 28 mei 1997, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Tica, aan appellant een uitkering op grond van de ZW geheel geweigerd voor de duur dat hij aanspraak op loon zou hebben kunnen doen gelden, dan wel zijn dienstbetrekking zou hebben kunnen voortduren. Tenslotte dient in dit verband te worden vermeld het bepaalde in artikel 8 van het Maatregelenbesluit Tica inhoudende dat geen maatregel wordt opgelegd, indien iedere verwijtbaarheid ten aanzien van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting ontbreekt.


Hetgeen appellant als bezwaren tegen het bestreden besluit naar voren heeft gebracht, houdt kort en zakelijk weergegeven in, dat hij als gevolg van zijn psychische toestand na eerdergenoemd bedrijfsongeval, ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst - op 21 maart 1997 - niet goed in staat was de consequenties daarvan te overzien en dat er van de zijde van zijn werkgever en collega’s aandrang op hem is uitgeoefend om zijn baan op te zeggen.


Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan, waarbij met name aan de orde is de toerekenbaarheid en de verwijtbaarheid van de opzegging door appellant van zijn dienstbetrekking, overweegt de Raad het volgende.


In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat appellant weliswaar eind 1996 te kennen had gegeven dat hij mede met het oog op het verkrijgen van een vertrekstimuleringspremie zijn dienstbetrekking wilde opzeggen, doch dat een overeenkomst te dier zake met de werkgever vóór 21 maart 1997 niet tot stand was gekomen, omdat de ontslagdatum nog niet was overeengekomen. Reeds hierom was er, zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld, op het tijdstip waarop appellant arbeidsongeschikt werd, geen sprake van een onherroepelijk geworden ontslag.


De Raad heeft noch in de gedingstukken, noch in het verhandelde ter zitting voldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor de opvatting dat appellant in verband met zijn psychische gesteldheid omstreeks 21 maart 1997 dermate beperkt was in zijn oordeelsvorming dat hem, gezien de zich destijds voordoende omstandigheden, zijn beslissing tot beëindiging van zijn dienstbetrekking per 31 maart 1997, in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen.


Naar ‘s Raads oordeel kan de door appellant gestelde aandrang die collega’s op hem hebben uitgeoefend zijn baan op te zeggen, geen grond opleveren appellants eigen besluit daartoe niet aan hem zelf toe te rekenen. Evenmin is gebleken van een zodanige onontkoombare druk op appellant van de zijde van zijn werkgever dan wel van zijn collega's, dat zou kunnen worden geoordeeld dat appellant geheel en al de vrijheid miste zijn wil aangaande het opzeggen van zijn dienstbetrekking in redelijkheid zelf te bepalen.


De Raad is voorts van oordeel dat weliswaar niet kon worden verwacht dat het appellant aanstonds volstrekt duidelijk zou zijn welke gevolgen aan het opzeggen van zijn dienstbetrekking konden zijn verbonden, doch dat onder de gegeven omstandigheden wel van appellant kon worden gevergd dat hij alvorens daaromtrent een definitieve beslissing te nemen, zich tot de betrokken uitvoeringsinstelling zou hebben gewend voor het inwinnen van de nodige inlichtingen omtrent de eventuele consequenties van een dergelijke opzegging voor zijn positie als verzekerde voor de sociale-verzekeringswetten. Dat lag te meer voor de hand, nu blijkens het proces-verbaal van de hoorzitting, gehouden naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaarschrift, in het overleg tussen appellant en zijn werkgever een melding bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor aan de orde is geweest.


In verband met het vorenoverwogene ziet de Raad geen goede grond voor het oordeel dat gedaagde op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de in dit geval toepasselijke voorschriften en komt de Raad - derhalve - tot een bevestigend antwoord op de hierboven gestelde vraag.


Hieruit volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. Ten slotte wordt geen aanleiding gevonden voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.


Derhalve dient te worden beslist, zoals hierna is vermeld.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr B.J. van der Net, als voorzitter en door mr Chr. van Voorst en mr H.C. Cusell als leden,

in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier

en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 1999.


(get.) B.J. van der Net.




(get.) R.E. Lysen.




BvW 43 Q