Centrale Raad van Beroep, 25-02-1999 / 97/986 WUBO


ECLI:NL:CRVB:1999:AA8709

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1999-02-25
Publicatiedatum
2002-09-26
Zaaknummer
97/986 WUBO
Rechtsgebied
Bestuursrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JSV 1999, 213
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R




97/986 WUBO



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


A, wonende te B, eiseres,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

verweerster.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 30 december 1996 heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen dat in fotokopie aan deze uitspraak is gehecht.


Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Eiseres heeft bij brief d.d. 20 maart 1997 nog aanvullende opmerkingen gemaakt.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting op 14 januari 1999. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr I. Wolfert, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. MOTIVERING


In mei 1995 heeft eiseres, geboren in 1943 te C in het voormalige Nederlands-Indië, een aanvraag ingediend om krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet) te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer en om toekenning van een periodieke uitkering.

Blijkens het zogeheten sociale rapport heeft eiseres aangegeven dat zij, gelet op haar leeftijd, niets weet van al hetgeen haar is overkomen tijdens de Japanse bezetting en in de zogenoemde Bersiapperiode; haar is enkel ter ore gekomen dat zij ten tijde van de Japanse bezetting met haar moeder geïnterneerd is geweest in het kamp Gedoeng Halang. In een schrijven van de door eiseres aangewezen referent D is neergelegd dat eiseres met haar moeder in de Bersiapperiode naar het kamp Gedoeng Halang is gevlucht.


Verweerster heeft het verzoek van eiseres afgewezen bij besluit d.d. 11 juli 1996, onder overweging dat het verblijf van eiseres in het kamp Gedoeng Halang tijdens de Japanse bezetting in onvoldoende mate is komen vast te staan, maar dat haar verblijf in dat kamp tijdens de Bersiapperiode wel aannemelijk is, welk verblijf echter niet kan worden aangemerkt als een ongeregeldheid in de zin van artikel 2, eerste lid onder f, van de Wet.


In de bezwaarschriftprocedure heeft eiseres een schriftelijke verklaring van haar halfbroer E overgelegd; volgens deze verklaring heeft de referent in de Bersiapperiode eiseres en haar moeder in het kamp Gedoeng Halang bezocht. Voorts heeft verweerster een verklaring van E ontvangen, waarin het verblijf van eiseres in genoemd kamp wordt bevestigd.

Verweerster heeft naar aanleiding van laatstgenoemd schrijven E benaderd en gerichte vragen aan hem gesteld.

Hierop heeft E in een schriftelijke verklaring geantwoord, hij met eiseres heeft meegemaakt dat er tijdens de Bersiapperiode in C rampokpartijen plaatsvonden en dat zij berooid en ontredderd werden opgevangen in het Ursulinenklooster; van daaruit werden zij overgebracht naar het kamp Gedoeng Halang, welk kamp 's nachts werd beschoten.

Dit relaas van E komt wat betreft de feiten inzake het Ursulinenklooster en het kamp Gedoeng Halang overeen met een aan verweerster ter handgestelde kampenlijst.


Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar afgewezen, met handhaving van het besluit in primo; blijkens het verweerschrift heeft verweerster met de schriftelijke verklaringen van E geen rekening willen houden omdat de aanvraag van eiseres uitsluitend betrekking had op haar internering in het kamp Gedoeng Halang tijdens de Japanse bezetting.


De Raad staat voor de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.


De Raad stelt voorop dat verweerster bij de beoordeling van de aanvraag gerechtigd is de eigen opgave van een betrokkene inzake zijn of haar oorlogservaringen tot uitgangspunt te nemen. De in de Wet beschreven procedure van de aanvraag wijst hierop.

Indien echter - in een geval als dit - uit de aanvraag naar voren komt dat de betrokkene wegens zijn of haar leeftijd toentertijd geen herinnering aan het wedervaren in de oorlog heeft, dan kan zo'n betrokkene toch met behulp van referenten trachten aannemelijk te maken dat hij of zij gebeurtenissen heeft ervaren die voor de toepassing van artikel 2 van de Wet van betekenis zijn. Het is dan aan verweerster op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de waarde van de ingebrachte referenties vast te stellen. Meent verweerster dat de verkregen referenties aannemelijk zijn en dat de betreffende gebeurtenissen naar hun aard bezien onder een van de onderdelen van artikel 2, eerste lid, van de Wet zijn te brengen, dan staat het verweerster niet vrij de aanvraag af te wijzen op de grond dat de beschikbare referenties de aanvraag van de betrokkene niet afdekken.


De Raad stelt vast dat eiseres, gezien haar leeftijd, aangewezen was op gegevens van derden die wel weten wat zij tijdens de Japanse bezetting en in de Bersiapperiode heeft meegemaakt.

Verweerster heeft blijk gegeven dit aanvaardbaar te achten, gezien het feit dat zij de door eiseres aangebrachte referent E met gerichte vragen heeft benaderd. De Raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster tot het standpunt is gekomen dat de referent E niet een juiste weergave van hetgeen eiseres heeft meegemaakt gegeven heeft. Het stond verweerster dan ook niet vrij van de betrokken verklaring van E ten nadele van eiseres af te wijken.


De Raad is op zijn beurt van oordeel dat hetgeen de referent E naar voren heeft gebracht, geloofwaardig is te achten. Dit betekent dat eiseres op grond van het genoemde rampokken (het gaan naar en verblijven) in het Ursulinenklooster, het overgebracht worden naar het kamp

Gedoeng Halang en het daar meemaken van beschietingen, gebeurtenissen heeft meegemaakt die te brengen zijn onder artikel 2, eerste lid onder f, van de Wet.


Derhalve ontbeert het bestreden besluit een draagkrachtige motivering en komt het in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Op deze grond moet dat bestreden besluit worden vernietigd.


Gelet op het voorgaande beantwoordt de Raad de in geding zijnde vraag ontkennend.


Van kosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet gebleken.


De Raad beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres het griffierecht ad f. 50,-- te vergoeden.



Aldus gegeven door mr J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 februari 1999.







(get.) J.G. Treffers.







(get.) J.P. Schieveen.