Centrale Raad van Beroep, 10-03-1999 / 96/6264 WAO


ECLI:NL:CRVB:1999:AA8752

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
1999-03-10
Publicatiedatum
2002-08-28
Zaaknummer
96/6264 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 1999, 214
  • USZ 1999/158 met annotatie van Carlos Bollen, assistent in opleiding privaatrecht, Universiteit Maastricht.
  • JB 1999/111 met annotatie van C. Bollen (Aio privaatrecht Universiteit Maas­tricht), R.J.N.
Uitspraak

96/6264 WAO



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


A, wonende te B, appellante,


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijver-heid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.


Namens appellante is mr J.C. de Dood, advocaat te Zaandam, op bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Breda, onder dagtekening 10 mei 1996 tussen partijen uitspraak, waar-naar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 februari 1999. Appellante is niet verschenen. Namens gedaagde is verschenen mr T.L. Muller, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.



II. MOTIVERING


Bij brief van 6 december 1993 is aan appellante mede-gedeeld dat een bedrag van ¦ 62.270,23 (bruto inclusief overhevelingstoeslag) van haar wordt teruggevorderd wegens onverschuldigd betaalde uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


Bij brief van 21 maart 1994 heeft de gemachtigde van appellante verzocht de vordering buiten invordering te stellen. Bij brief van 10 mei 1994 heeft gedaagde medegedeeld de vordering niet buiten invordering te stellen. Hiertegen is beroep ingesteld bij de rechtbank.

De bejegening van appellante door gedaagde is gebaseerd op het navolgende feitencomplex. Appellante heeft in 1991 haar partner, C, met wie zij samenleefde, om het leven gebracht. Vervolgens heeft zij het stoffelijk overschot verborgen gehouden totdat het in augustus 1993 werd gevonden. C was sedert 1970 in het genot van een WAO-uitkering. Appellante heeft de op 18 september 1991 en 16 september 1992 door gedaagde toegezonden vragenformulieren AAW/WAO ingevuld.

Gedaagde heeft de betalingen tot en met 31 augustus 1993 voortgezet en deze op de rekening van C bijgeschreven. Appellante heeft met gebruikmaking van de bankpas en de daarbij behorende pincode van C bedragen van die rekening opgenomen.


Appellante is geen erfgename van C.


De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard. De rechtbank is van opvatting dat een beslissing inzake invordering als de onderhavige, voortvloeiende uit een op

artikel 6:203, Burgerlijk Wetboek gegronde terugvordering terzake onverschuldigde betaling, -in tegenstelling tot een besluit tot terugvordering of wijze van terugvordering van die uitkering op grond van een van de sociale verzekeringswetten- niet is aan te merken als een besluit als bedoeld in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu een dergelijke beslissing privaatrechtelijk van aard is.


Met de rechtbank is de Raad van oordeel -daarbij in het midden latend van welke privaatrechtelijke rechtsfiguur sprake is- dat het bestreden besluit van privaatrechtelijke aard is. Hierbij heeft de Raad in het bijzonder in aanmerking genomen dat de in de brief van 6 december 1993 vervatte terugvordering van privaatrechtelijke aard is. Artikel 57, eerste lid van de WAO, noch enig ander artikel van deze wet biedt een basis voor een door het bestuursrecht beheerste verhouding tussen gedaagde en appellante op grond waarvan de in geding zijnde bevoegdheidsuitoefening door gedaagde leidt tot een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid van de Awb. Het hoger beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.


Gelet op de onjuiste rechtsmiddelenverwijzing door ge-daagde, ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen in de kosten die appellante in de rechtbankprocedure


heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op ¦ 710,- wegens verleende rechtsbijstand. Tevens dient gedaagde het in eerste aanleg betaalde griffierecht ad ¦ 50,- aan appellante te vergoeden.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg, begroot op ¦ 710,-;

Verstaat dat gedaagde aan appellante het in eerste aanleg betaalde griffierecht van ¦ 50,- vergoedt.


Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en

mr G. van der Wiel en prof. mr F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van mr S.P. Madunic als griffier, en uit-gesproken in het openbaar op 10 maart 1999.



(get.) M.A. Hoogeveen.




(get.) S.P. Madunic.




IS